elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knaap

knaap , knape , (mannelijk) , knapen , knaap.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
knaap , knoap , in: daʼs ʼn knoap = een dikke, groote in zijn soort, bij v. Dale: koning, Synoniem met: kanjer, mōnster, boas.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knaap , knaap , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Ook een ouderwetse kandelaar; nog aan oude mensen bekend, maar thans verouderd. Vgl. Hs Kool: “knaap, standerd met drie poten, aan welke een blaker is, die gehouden wordt door een drukkende veer”. In verschillende oude inventarissen wordt een knaap genoemd, waarmede waarschijnlijk zulk een kandelaar wordt bedoeld. Daar echter nadere aanwijzingen ontbreken, kan ook een ander meubel gemeend zijn. || Een leusnet, een caets (spiegel), een knaep, Hs. invent. (Jisp, a° 1687), prov. archief. Een kasje met vier poten, een knaap, een aalspleet, een vioolkas, rommeling (op zolder), Hs. invent. (Wormer, a° 1773), aldaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knaap , knaap , knaop , de , knapen , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook knaop (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. jongen Het is een mooi stel knapen bij mekaar, die jonges van oe en van oes (Ruw), Dat is een flinke knaap, die komt er wal (Oos), Kom ie ies hier, knaap (Dwi) 2. groot, bijzonder exemplaar Dat is een knaap van een sukerbiete (Noo), Ik kreeg mij toch een knaap van een blei an de haoke! (Mep), Die hef ook ’n beste knaap van ’n peerd veur de wagen (Klv), Het is een knaap van een main, die duurt alles an (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knaap , knaap , handvat op een zeisboom.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
knaap , knaap , knaap, dikkerd
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knaap , knaop , zelfstandig naamwoord , de; 1. jongen 2. iemand die goed is op zijn of haar terrein, een uitblinker; ook: pittig, vinnig iemand, iemand die streken uithaalt 3. groot iemand, groot exemplaar, kanjer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knaap , knaap , zelfstandig naamwoord mannelijk , knaape , knépke , knaap , VB: 'nne knaap van 'nne vêsj. VB: 'nne knaap ién rëkene.; groot (persoon of voorwerp) knaap; uitblinker VB: 't Ês 'nne knaap ién rëkene.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
knaap , knaop , zelfstandig naamwoord , "knaap; Daamen - Handschrift 1916:  ""knoap - de knecht der vroegere gilden en van het koor""; WBD (III.3.2:269) knaop, schildknaop = gildeknecht; WBD (III.4.4:222) 'knaap' = iets groots in zijn soort"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal