elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knapzak

knapzak , knapzak , (mannelijk) , spijszak, zak ter bewaring van eetwaren op reis enz.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
knapzak , knapzak , (mannelijk) , knapzakken , spijszak, provisiebundel. De Duitschers, die in den zomer naar Holland komen om werk te zoeken, hebben ieder een knapzak op den rug, die er veelal smerig uitziet en gedeeltelijk gevuld is met eenige kleedingstukken, doch voornamelijk dient tot bewaring van spek, worst, boter, kaas en brood.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
knapzak , knapzak , scheldwoord voor iemand die veel eet.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
knapzak , knapzak , zie: knapschenkel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knapzak , knapzak , lelijk iemand Wá’ne knapzak waor dè toch war! Wat een lelijk iemand was dat, niet? (ironisch)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knapzak , knapzak , mannelijk , knapzėk , knapzėkske , ransel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
knapzak , knapsak , etenszak of etenstrommel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
knapzak , knapzak , de , 1. knapzak Even kieken of der nog wat in mien knapzak zit (Eel) 2. (fig.) buik Binj haost klaor met ’t èten, me dunkt ie hebt wèer genog in de knapzak (Hijk), Hie hef zien knapzak goed vol eten (Schl) 3. oude kerel Die aole knapzak koj ok overal tegen (Bor), Die aolde knapzak zat nog achter de vrouwlu an (Ruw), Daor hej aal van die aolde knapzakken bij mekaar oudere vrijgezellen (Sle) 4. veeleter, als scheldwoord (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knapzak , knapzaak , jongen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
knapzak , knapzak , 1. oud paard; 2. oude man
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knapzak , knapzak , zelfstandig naamwoord , de; 1. knapzak 2. iemand die veel eet 3. oude kerel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knapzak , knapzak , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , broodmaaltijd , (bep. broodmaaltijd) knapzak
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal