elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Nederduits

Nederduits , Néérduuts , Nederlandsche taal, evenals voorheen algemeen (ook door taalkundigen) “Nederduitsch” werd gezegd voor “Nederlandsch”; ’t begint te verouderen, doch hoort men bvb. nog wel de vraag: is ’t Frans of Neerduuts? waarvoor men meer algemeen het ook al minder juiste woord “Hollandsch” hoort.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
Nederduits , Nederduuts , zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord , et; Nederduits
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal