elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: negenoog

negenoog , negenoogtjen* , volgens v. Dale elders “ootje-bot” enz. geheeten.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
negenoog , neugenouch , onzijdig , neugenouge , negenoog, kwaadaardige steenpuist.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
negenoog , neengoge , negenoog.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
negenoog , negenoog , de , 1. negenoog Van een negenoog hol ij een lillijke liekstee van (Sle), Toen ik de moer uut de negenoge had etrökken, was het argste veurbij (Mep), Een negenoog is nog arger as een steinpoest (Nor) 2. iemand die alles ziet (Midden-Drenthe) IJ kunt het nog zo stiekum dooun, mor die negenoge zöt alles (Eex) 3. scheldwoord voor vinnig vrouwspersoon (N) Maor een kwaod wief is een negenoge (N), Nee, maor dat zuze ok niet willen, negenoge das bieze (N:fa)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
negenoog , negenoge , 1. negenoog, bloedzweer; 2. lamprei (= bep. riviervis)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
negenoog , neegenéúger , steenpuist , Dieje neegenéúger kömt nouw nie van paas, we zó'n krék virtiendaog gôn fietse. Die steenpuist komt nu niet gelegen, we zouden net veertien dagen gaan fietsen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
negenoog , negenoge , zelfstandig naamwoord , de; negenoog: bep. grote steenpuist
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
negenoog , negenoog , negenooge , steenpuist.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
negenoog , [steenpuist ] , negenuiger , (mannelijk) , 1. steenpuist 2. bloedzuiger
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
negenoog , nuuëgenoug , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , nuuëgenoûge , (Weerts (stadweerts)) negenoog, rivierprik (vis); neûgenoug(Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) negenoog
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
negenoog , neegenôôg , neegenêûger , zelfstandig naamwoord , negenoog; 1. riviervis; Wiki - De prikken, lampreien of negenogen (Petromyzonidae) zijn een familie van kaakloze vissen (Agnatha). Er zijn ongeveer 40 soorten, waarvan de meeste in zoet water leven. De mond is rond (zie afbeelding) en volwassen dieren hebben een rasptong met tandjes. Sommige soorten zuigen bloed bij andere vissen. De rivierprik (Lampetra fluviatilis) is een vissoort uit de familie Petromyzontidae. 2. Karbonkel; Wikipedia - Een karbonkel, negenoog of koolzweer is het voorkomen van een aantal steenpuisten die naast elkaar in hetzelfde gebied bestaan, soms onderling vervloeiend. Cees Robben – Onze Peer hee unne pöst in zunne nek zôô grôôt as unne riksdaolder... Unne negen-euger zeker..? (19811023); Hein Quinten - Khè veul laast van unne negenôôger. (Tilburgse spreuken; ca. 1990)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal