elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ombollen

ombollen , ombollen , omvallen, omliggen goan, zien woord opeten, zien stikken optrekken, ʼt gad omgooien, ien leerzen schieten, voor: veranderen van besluit, zijn woord niet houden, eene andere partij kiezen; steeds met ongunstige beteekenis. v. Dale: ombollen = zijn woord eten. “Het woord (ombollen) is niet algemeen in gebruik, meest in gewestelijke spraak, maar zeer eigenaardig en bruikbaar als synoniem van omdraaien in de gemeenzame spreektaal.” (Gr. Wbk. art. ombollen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ombollen , ümmebollen , Ombollen, van partij, besluit, voornemen veranderen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
ombollen , ombollen* , bij v. Dale: zijn woord eten.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ombollen , [van besluit veranderen; opnieuw tochtig worden] , ümmebollen , Ombollen, van partij, besluit, voornemen veranderen. Het woord bet. eigenlijk: opnieuw “bollig” worden, wat blijkt, wanneer een koe begint te “reppelen”, d.i. met de voorpooten op een andere koe springt.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
ombollen , ombulen , van voornemen veranderen (of van werkmethode)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal