elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ontlaten

ontlaten , [dartel] , onlatten , Tw. dartel, stoeiziek. [ont-laten, i. e. uitgelaten.]
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
ontlaten , [zachter worden] , ontlaten , (onpersoonlijk werkwoord) , dooien, loslaten. Het begint te ontlaten, de harde grond wordt zachter, murwer.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
ontlaten , ontloaten weer , dooi weder, zachte dooi; ʼt is ontloaten weer = het vriest op dit oogenblik niet. Eigenlijk: ontlaten = losgelaten, van de vorst. Oostfriesch dat wër hed sük wat entlâten = het weer is zachter geworden; de fröst entlet sük = de vorst vermindert, enz. Kil. ontlaeten = ontboeien, loslaten, smelten, vloeibaar worden. (v. Dale: ontlaten = zachter worden van het weder.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ontlaten , ontloaten* , ontlaten ook bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ontlaten , ontlaoten , ontlöut, ontlaoten; het ontlat , (beginnen te) dooien. Het ontlat al: het dooit al.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ontlaten , ontloaten , dooi
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
ontlaten , ontleite , werkwoord , Ontlaten, loslaten, o.a. gezegd van vorstbloemen op de ruiten. Vgl. Fries ûntlitte.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ontlaten , ontlaoten , sterk werkwoord, onovergankelijk , ontdooien, zachter worden Wij kunt nog niks op het land begunnen; het is nog niet ontlaoten (Sle), Schuiveln kan wel is daon wezen, het ies begunt al te ontlaoten (Eel), Het daoit al een beetien, de boel ontlat al mooi (Hav), As de zunne der bij komp, begunt het mooi te ontlaoten (Wap), Het is ontlaotend licht dooiend (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ontlaten , ontlaotn , lichte dooi. ’t Is ontlaotn, vriezn dut ’t niet meer, mâr deuj is ’t ok niet helemaole.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ontlaten , ontlaoten , werkwoord , ontlaten: zacht, enigszins nat worden van ijs, sneeuw, bevroren grond, nl. als gevolg van de invallende dooi
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ontlaten , ontlaete , werkwoord , ontlaet, ontliet, ontlaete , [Phl] dooien, zachter weer worden
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal