elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ontstrijden

ontstrijden , ontstrieden , ontstruden , betwisten, niet willen toestemmen; West-Vlaamsch ontstrijden = ontkijven, aftwisten. (De Bo). v. Dale: ontstrijden (verouderd) strijdende ontnemen; afstrijden, betwisten, door twistredenen uit het hoofd praten. Nedersaksisch afstriden, Deensch afstride. Zie: ontproaten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ontstrijden , ontstrieden* , Nederlandsch ontstrijden en opstrijden.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ontstrijden , ontstrije , uit het hoofd praten. Dat kejje me niet ontstrije.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
ontstrijden , ontstraaie , omstraaie , werkwoord , Ontkennen, tegenspreken, betwisten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ontstrijden , ontstrien , ontstrieden , sterk werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook ontstrieden (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = ontstrijden, uit het hoofd praten Dat is beslist woor, wat hij zeg, dat kan gien mens ontstrieden (Bco), Nou kuj mij det wel ontstrien, mar ik weet zeker dat het zo is (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ontstrijden , ontstrieden , zie òfstrieden
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ontstrijden , ontstrieden , werkwoord , ontstrijden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal