elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: op

op , op , "Hier zegt men vruchten op de boomen voor vruchten aan de boomen; op de lucht komen voor in de lucht komen; visch op den vijver voor visch in den vijv
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
op , oppe , uppe , op, op de, -den-, of: -het; oppe deenst gaan = gaan dienen, Gron. op dijnst goan.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
op , op , voor: in; ’t op de oogen hebben, op de moag, op de borst, enz. = aan de oogen lijden, enz.; ook Oostfriesch, Holsteinsch; ’n swien op ’t hok hebben = een varken mesten, nl. voor eigen gebruik; op dijnst goan = gaan dienen, dienstbode worden; vroug op de mörgen = vroeg in den morgen; op, voor: in, of: te, wanneer het eene plaatsbepaling geldt; op Drente, Westerwolde, ’t Hoogezand, ’t Woar, Martenshouk, Mijden, Zoltkamp, Hoogkerk, de Lijk, Zieldiek, op Polder (enz.) wonen = in Drente, te Hoogezand, enz. – Voor: aan, in: oavend op oavend; nacht op nacht; week op week; middêg op middêg = telken avond, enz. West-Vlaamsch dag op dag; jaar op jaar; slag op slag. – Voor: met; wie speulen op koaten (kaarten) = wij spelen kaart; wie speulen op brikken = wij domineeren, enz. Voor: om; hij’s t’r op (of: over) te koop west = is er geweest om het te koopen. – Voor: over; ’k heb d’r nijt op noadocht = niet verder over nagedacht. – Als verkorting voor: opstaan, opzetten, opgestoken, enz.: zewwe ijs op? (of: zewwe overèn?), zeggen de vrouwen op eene visite, wanneer zij zich een weinig willen vertreden; hij’s nog nijt op = nog niet opgestaan; ’t licht is op = wij hebben de lamp opgestoken; wie hebben, of: zetten drei op = wij hebben, of: wij zetten drie koeien op stal; de bijsten bin op, peeren en jonkbijsten loopen dʼr nog = de koeien en ossen zijn op stal gezet, het jonge vee en de paarden loopen nog in het land; de eerappels bin op. (ook: over) = de aardappelen zijn op het vuur gezet (gij moet de wandeling dus niet te lang maken, enz.); ʼt wil dʼr nijt op (ook: om), zegt men van dieren, ook van menschen, die niet willen dijen, niet vet willen worden. – Voorts de uitdrukkingen: ʼt stait hōm nijt op de handen = hij heeft geen gebrek aan geld, hij kan zijne zaak wel drijven; iemand op de vingers tikken = (over de vingers houen) = op bitse manier berispen, scherpe aanmerkingen maken, iemand iets op ʼt brood leggen = hem van iets beschuldigen; iemand op ʼt zand zetten = alles opeten of opdrinken wat de gastvrouw of gastheer kan geven; op voesten dansen = wasschen (uitdrukking van waschvrouwen); dʼr op oet goan = uitgaan, een bezoek afleggen, op visite gaan; ook Oostfriesch; op studie (ook: op akkedemie) wezen = student zijn; op dien gezicht! met de toevoeging: den kenste hallelujoa zingen = daar kan niets van komen, gij krijgt het niet van mij; op glad ies zitten = zijne middelen van bestaan verloren hebben, zijne kostwinning kwijt zijn. (Bij v. Dale: op glad ijs staan = zich op eene helling bevinden, gevaar loopen ongelukkig te worden, – zijnen post verliezen, (art. glad), en: = in gevaar verkeeren, (art. ijs.) Vgl. op zwart zoad zitten.)
op en of (op en af);’t gait op en of, zegt men van eene kwaal die bij afwisseling verbetert en verergert. Vgl. op en del.
op en del, op en deel = op en neer; hij lopt de gang (de stroat, enz.) al op en deel; mit (de overige huisgenooten, nl. het boerenvolk) op en del goan (= mit op en of goan), zegt men bv. van kostgangers, bij een landbouwer om het boerenbedrijf te leeren, die alles moeten meedoen en geene bijzondere voorrechten genieten wat voeding of vrijstelling van sommige werkzaamheden aangaat. In Drente zegt men het van boerenzoons en knechten die gezamenlijk werken. – Ook voor: op- en nederwaarts; de pols van de karn gait op en deel. Zie: del.
op of dul = op of del; zij ken nijt op of dul = zij kan zitten noch staan, bv. van de jicht.
op en of (op en af);’t gait op en of, zegt men van eene kwaal die bij afwisseling verbetert en verergert. Vgl. op en del.
op en neer; zie ijgen.
op en weg (tautologie); ’t is doar altied alles op en weg = zij weten niet te sparen en daarom is er altijd gebrek in dat huisgezin. West-Vlaamsch up ende weg, ip end weg. Als hij toekwam om te eten, was alles op en weg (was er niets meer te eten, en de tafel was afgediend) (De Bo).
op en zat ook met de toevoeging: kunst van ’t koken, zegt de huismoeder als er niets van den maaltijd is overgebleven. Schertsend zegt men ook: op en zat, wel meer lust moar nijt meer had.
op an (op aan), in: dat moutʼr moar op an = dat zullen wij dan maar toestaan, wij zullen u dezen keer uwen zin geven; ʼt komt mie dʼr niks op an = daar ben ik in ʼt geheel niet op gesteld, dat komt allerminst in mijne kraam te pas.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
op , up , (voorzetsel) , zie op.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
op , op , (òp) , (bijwoord) , Open. || De deur is op. Die brief is al half op. – Evenzo in samenst. opdoen, opgaan, opmaken, opschuiven, opstaan, opzetten, enz. || De deur gaat vanzelf op. Maak die doos maar op. Je moete de beschuittrommel niet opstaan laten. Zet de raam op. Een fles optrekken. Ze moeten de bijt weer ophakken. Daar gooien die kwajongens de deur weer op. – Evenzo elders in Holl. Vgl. voor het gebruik in de 17de e.: VAN HELTEN, Vondels’s Taal, § 155; voor dat in de Middeleeuwen: Leid. Keurb., Gloss. 578. In de algemene taal zijn nog enige samenst. gebruikelijk: opdoen, opdringen, opkrabben, opmaken, opscheuren, enz. Op dezelfde wijze heeft het Hgd. aufmachen, aufthun, aufstehen, enz.; zie GRIMM, D. Wtb. 1, 607.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
op , op , (òp) , (voorzetsel) , Daarnaast vroeger up. Zie de wdbb. – Wonen op, wonen te. || Ik woon op Zaandam, op de Koog, op de Horn. Hij woont op de Kerkstraat, op het Sluispad. – Evenzo: Ik moet op Westzaan wezen. Op Zaandijk is gien meelmolen. Ik was laatst op Nauwerna. Willem Claesz. up Wormerveer, Hs. T. 118, f° 37 r° (a° 1564), prov. archief. – Leggen op, liggen aan zeker water. || Een stuk land, gelegen op de Poel, op Deukelsloot. Me land leit op de Kaaik. De ven op de Smaalsloot. – Vgl. Wijk op Zee, Egmond op Zee, en zie Tijdschr. 11, 278; 12, 174. – Hebben op, hebben van, lijken op. || Hij heb veul op zen vader. ’t Heb er wel wat op, maar ’et is toch niet eender. – Op, omtrent. || Me moeder is nou op ’en 30 jaar weg ’eweest (omtrent 30 jaar dood). – Zie verder bij de hoofdwoorden de volgende uitdrukkingen: op achter op achter, de drommel op ’en... op drommel, eesie-op op eesje, op ’en efter op efter, op gaal op gaal II, op de jirt op jirt, op de mierek op mierek, op de rooi op rooi, op slag op slag, op stel op stel I, op stoot op stoot, op stuk op stuk, op zoek op zoek.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
op , on , verbastering van op, zie ovenblik .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
op , op* , zie ook te * en vgl. dag *, alsmede “vinger” bij v. Dale; ’t heeft ook de beteekenis van “bij”, “over”: ’k heb d’r nijt op noadocht of: op noavroagd; hij ’s d’r op te koop west, Nederlandsch er om te koop geweest, d.w.z. is er geweest om het te koopen; ook Drentsch.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
op , op , bijwoord , op, omhoog
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
op , op , voorzetsel , op
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
op , op , in Héj wónt op de Hei, de Milsbéêk Hij woont in de Hei, Milsbeek; over Ge fietst, lopt, réjd ’r ’n uur op Je doet er een uur over.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
op , op , voorzetsel en bijwoord , Op. Het voorzetsel ‘op’ wordt in talrijke plaatsbepalingen i.p.v. Nederlands ‘in’ of ’te’ gebezigd, bv. hai weunt op Andoik, op Hougwoud, op Ursem, op Spanbroek enz. enz. Zegswijze … en óp, en wat daar qua maat boven uitgaat. | We pelle alliendig tiene en óp. – Op ’t hok, in het hok. | Hai het ’n zoôt varkes op ’t hok. – Hai ree teugen m’n op, hij reed tegen mij aan. – De deur is op, de deur is open (verouderd). – As ’t op is, is ’t dein, eet en drink maar onbezorgd, totdat alles op is. – Altoid op en nooit genog, gezegd van lieden die nooit verzadigd zijn of altijd klagen over te kort. – ’t Is op, genog en de buk vol, gezegd als het eten op is en iedereen verzadigd is. – ’t Ken wel op, al is ’t lekker, matig je maar een beetje met eten of drinken. – Hai is er óp as poes (puus) op muize, hij is er gek op (gezegd met betrekking tot spijzen). – Ze is gien meer op me, ze is niet meer op me gesteld. – Ze d’r goed óp hewwe, goed op dreef zijn (o.a. biljartterm).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
op , op , oppẹ , klemtoon op Al , op, op de. Al op, dan haet de erm zeel roe: alles op, dan heeft de arme ziel rust!; oppẹ op de, op. Oppẹ bein: op de been. Oppẹ heuchde: op de hoogte. Oppẹ vot ligge: failliet gaan; het uit elkaar vallen van een vereniging e.d.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
op , op , voorzetsel, bijwoord , op. In ’t Biks wordt op veelvuldig en op uiteenlopende manieren gebruikt. Enkele voorbeelden: Op d’irste plots. (Boven de rivieren zegt men: in de eerste plaats.) Op ’n ander is ’t altèd beejter dan thùis. Hij verdient òp ’n week meer as ik in ’n mond. Daor wònt ’ne mèèrel òp drie aajer. Pirke hègget òp z ’n waoter. De typische uitdrukking We gon òp hùis aon wordt soms uitgebreid met een herhaling van het voorzetsel: “Op Aasten òpaon”zingt Thieu Sijbers.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
op , op , voorzetsel , met plaatsbepaling: te; op Bunnik (KRS: Lang, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Op drukt uit: ‘in de bebouwde kom’; dit in tegenstelling tot *onder , dat wel binnen de gemeente, maar buiten de bebouwde kom aangeeft. Dit gebruik is vaak beperkt tot de bebouwde kom van een dorp: op Gouda , op IJsselstein klinkt velen vreemd in de oren. In die gevallen is het in . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 98). Te Montfoort maakt men een onderscheid tussen op de Hoogstraat (die dan ook wat hoger ligt, eigenlijk een dijk) en in de Keizerstraat .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
op , op , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. op Het is der op of der onder (Dwi), Ik kan gien pankoek bakken, want het meel is op (Oos), Op is op en weg is weg (Hgv), Wat hij dut, slat nargens op (Bei), De kat vleug de ledder op (Bor), De tolter giet op en dale (Bro), Zie bint aaid laat op gaan ’s avonds laat naar bed, of: komen ’s morgens laat uit bed (Sle), Dat volk, door heb ik het niet op hou ik niet van (Bov), Inwendig heb ik er niks met op (Een), Daor wil ik morgen ies op of (Klv), As die wat zeg, daor kuj wal op an kun je op vertrouwen (Sle), Waor woj met jo allen op an? naar toe (Pdh), De oolders waren der op tegen (Eli), ...op in tegen tegen (Klv), Ik wil hum der niet op tegen maken tegen (Gro), Dan koop ie een flesse draank en dan kriej der een busse vruchten op toe extra (Hol) 2. overeind Ik kan haost niet op, zo he’k het in de rugge (Klv) 3. failliet Hij dee grote sprongen, maor hij is op (Dwi) 4. open (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) Stiet de deure op? Het tocht hier zo (Bro), De brug is op (Hoh) 5. uit bed Zullen ze um die tied al op wezen (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
op , op , voorzetsel , 1. op Hij sleug hum op de doem (Hgv), De hamer lig nog op de kor (Sle), Wie binnen net nog even op boeten west, mor het was te kaold (Vtm 2. in, vooral bij plaatsen in veengebieden Hij woont op Erica, maor in Daolen (Pdh), Hij woont in Gies, mor op Diphoorn (Sle), ...op Zuudwolde, maar in Rune (Hgv), Wij woont in Eext en zij op Spiekerboor (Eex), ...op Roswinkel en zij in het Compas (Ros), Hij woont op Drenthe op het zandgedeelte (Bov), verder De kouwe hef op het draod zèten in (Nsch), Op het gemientehoes kuj allèn ’s mörgens terecht (Scho), Bij oes op het darp is het feest (Wes) 3. naar Ik heb daor op schoul gaon (Rod), Hij schoof op mie an naar mij toe (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
op , op , op. As ’t op is, is ’t kopen edaon ‘je moet tevreden zijn, er is niet meer’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
op , op , voorzetsel , 1. op 2. in Ik weun opte Noord en ‘k bin gistre op Strien geweest Ik woon in Heinenoord en ik ben gisteren in Strijen geweest (op wordt gebruikt bij een plaatsaanduiding)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
op , ap , afgelopen , ap!; uit ap!; basta ap!
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
op , op , voorzetsel , op , op (In vele, van het Standaardnederlands afwijkende zegswijzen) Zw: op 't hospetaol: in het ziekenhuis Zw: oppe sjeur: in de schuur Zw: oppe sjtraot: op straat Zw: op vekaansie: met vakantie Zw: op 't Belsj: in België Zw: op ze Groéselders: in het Gronsvelds Zw: De luep op goën: op de loop gaan Zw: op môtte: terug moeten naar de kazerne Zw: De zoondig drop: de zondag erna Zw: op tiéd van viéf menute: binnen vijf minuten Zw: Toer op toer: beurt om beurt Zw: op fiéftig maan: van de vijftig man. Zw: 't Duerp op: in zuidelijke richting Zw: E Goonstig: op woensdag
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
op , oep , o/p op.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
op , óppenir , op en neer, heen en weer , De pónt gong twi kirres per dag óppenir. De pont ging twee keer per dag op en neer.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
op , op , 1. op 2. in de richting van , Get oppen daod doon: iets meteen doen. Die sjoon zeen oppen hóndj: die schoenen zijn helemaal versleten. Mèt emes get op höbbe. Oppe lappe gaon, oppe vieze gaon: op cafébezoek gaan. Op zeen: moe zijn/uit bed opgestaan zijn.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
op , op , 1. op; op en aaf – op en neer 2. na, over: het is vief op zeve – het is vijf over zeven; det is de trein van vief op – dat is de trein van vijf minuten over het (halve) uur 3. meer dan: oppe hóngerd euro – meer dan honderd euro 4. op examen gaan, afrijden: mörge mót ter op – morgen moet hij op examen/moet hij afrijden 5. opstaan: wie laat mósse op? – hoe laat moet je opstaan 6. doe wuërs ter auch neet magerder op – wat ben jij dik geworden; doe wuërs ter auch neet jónger op – wat zie jij er oud uit; hae zitj bie mich oppe klas –hij zit bij mij in de klas; op stelj en sprung onmiddelijk
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
op , oppe , oppen , op de(n)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
op , op , voorzetsel , in, met, op, over
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
op , op , voorzetsel, bijwoord , op; Dialectenquête 1876 - ùp (met klinker van fr. oeu); Henk van Rijen: op slòt van zaoke - per slot van rekening; Van Rijen: óp de middag - in de namiddag; Van Rijen: óp en aander slaope - logeren; WBD (III. 2. 1:395) op, hèl = wakker; Jan Naaijkens, Dè's Biks: op vz., bijwoord - op
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal