elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: op aan

op aan , opan , in: doar ken j’ net opan! = dat kun je begrijpen! ’t zal niet gebeuren!; ’t komt mie d’r niks opan! = daarop ben ik niet gesteld.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
op aan , opán , op án , naar toe, heen Lopt ’r mar vast opán Ga er maar alvast naartoe; Waor doed’op án? Waar ga je naar toe?
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
op aan , op … an , bijwoord , Naar toe, heen. | Weer moet je nou weer op an? Ik gaan op huis an.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
op aan , obbaan , waarheen. Woo geit dat obbaan: waar gaat dat heen?
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
op aan , op an , er naar toe.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
op aan , [naar toe] , opaan , 1. op aan 2. naar toe , Örges van opaan kónne: ergens op kunnen rekenen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
op aan , opaan , örges/van emes opaan kinne – ergens op/op iemand kunnen rekenen; dao kins se niks van opaan – daarop/op die persoon kun je niet rekenen; woeë geis se opaan? – 1. waar ga je naartoe? 2. welke kant ga je uit?
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal