elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opkunnen

opkunnen , opkennen , ironisch in: ’t kèn nijt op!, bvb. wanneer iemand veel uitgevraagd wordt, en omgekeerd, als iemand tegenspoed ondervindt: hij ken de pret wel op! (beide ook Nederlandsch, doch ’t eerste in ruimeren zin;) met het laatste is gelijkbeteekenend: hij ’s veur zien plezijer oet! of: doar het ’r nijt te veul an!
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
opkunnen , opkunnen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. opkunnen Zo’n dik zwien, zuj dat wal opkunnen? op kunnen eten (Bco), Je kunt wal opscheppen, mar je moet het ok opkunnen op kunnen eten (Eri), Het kan wel op of het lekker is het kan wel op al is het ook lekker (Hgv), Sommigen kunt heelwat op hebben veel geld nodig (Hijk), Kan het weer niet op? Hej weer teveule geld? (Zdw) 2. overeind kunnen komen (Zuidoost-Drenthe) Hie is vallen. Zul hie wal opkunnen? (Oos), Hij kun nich op of deel (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal