elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opnemen

opnemen , opnemen , noodig zijn; ’t nimt zooveul op = er wordt veel verbruikt; zure appels nemen bij ’t stoven veel suiker op.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opnemen , opnemen , kosten, vorderen, noodig hebben; bvb. in: ’t nemt nog al op (vgl.: anloopen 2); zoo nemen zure appels bij ’t stoven veel suiker op; in dezelfde beteekenis: d’r gait drei el tou.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
opnemen , opnemm , werkwoord , 1 ingang vinden, 2 wed. zich verheffen van dieren, 3 zich goed inprenten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
opnemen , opneme , werkwoord , Ook: een geschonken of aangeboden consumptie opnemen. | Ik mocht dut borreltje van Piet opneme.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
opnemen , opnimmen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. oppakken, opnemen Dat bultien mot moej nog even opnimmen (Oos), Zal ik die nattigheid èven opnemen (Mep), Nim ij de tilefoon even op, der wordt beld (Sle), Steken opnimmen bij het breien (Gie), Kun ie het kleintie even opnimmen um tien uur, dan is e mörgenvrog misschien nog dreug uit bed halen (Hoh) 2. geld opnemen Ik moe wel geld opnemen veur het neie hoes (Dro) 3. op zich nemen Die kan niet goed veur zichzelf opkommen, deurum möt een aander het wal ies veur hum opnemen (Zwig), As hij het niet veur mie opnomen har, har ik nou in het hok zeten (Bov) 4. ergens in opnemen Wij moet dat peerd opnemen laoten in de fondst (Klv), Ze waren nog niet echt in de gemeenschap opnummen (Hijk) 5. tot zich nemen Dan kunj twei borrels de man opnemen (Row), Het kalfien is wel wat minlijk, maar hij wil wel opnemen (Ruw), Ik bin te mu, ik kan niks mèer opnimmen (Sle) 6. opvatten Hie hef dat bericht nogal goed opnommen (Rol), Dat most nich zo zwaor opnèmen (Nsch) 7. aannemen Een jong peerd wil het bit vaok niet best opnemen (Pei) 8. opmeten, controleren De schaede opnemen bij een braand (Uff), Ien keer in het jaor komt ze de meter opnimmen (Zwin), Ik heb die zaok gooud in de pen, ik heb alles gooud opneumen nagegaan (And) 9. waarderen, taxeren Het naoberschup worde vrogger hoog op eneumen (Nije), Ik heb hum van top tot tien opnummen (Sle) 10. hoog optillen (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied) Het peerd wil wel opnemen mooi lopen (Bor), As de jongkerels eerder oet vrijen gungen, namen ze de haandstok hoog op (Bor) 11. op een bepaalde manier beschouwen Hij nam dat geval nogal hoog op (Bco) 12. noteren, vermelden, optekenen Wol ie de bestelling wal even opnimmen (Wes), Hij mot tied opnimmen bij het scheuveln (Exl), Het naogelvast gooud is opnummen in het contract (Gas), Die oetspraok moej in de kraant opnimmen (Eex) 13. opnemen in ziekenhuis etc. Hie is in het ziekenhuus op enèumen (Pes) 14. opnemen tegen Ik moet het met ’t scheuveln tegen hum opnemen (Ass) 15. adopteren (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wij gaot de kiender opnemen (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opnemen , opnemm , opnemen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
opnemen , opnemen , werkwoord , 1. opnemen 2. opeten, als consumptie gebruiken 3. vaststellen en opschrijven, aantekenen 4. onderzoeken, goed waarnemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opnemen , opnemmen , (werkwoord) , opnemen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
opnemen , opnumme , opnemen , Zie haet ’t hieël geldj opgenómme.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
opnemen , opneeme , sterk werkwoord , opnemen, namelijk van sterke drank; Om den goeien afloop te vieren zè'k regelrecht nor de Looiersbeurs gestapt en daor hè'k m'n eige getracteerd op drie aawe klaores, die 'k zoo mar stondeweg on 't buffet heb opgenomen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal