elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opweg

opweg , opweg , weg op een polder die rechthoekig op den hoofdweg, die meestal in oostelijke richting loopt, staat, oprijweg. Zie: Prov. Gron. Cour. 1887, no 264, en vgl. opdiek, en: drift. (Eigenlijk weg naar boven, die opwaarts voert, Hoogduitsch Aufweg. Vgl. opree.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opweg , opweg , oprijweg; vergel. drift * en bij v. Dale “afweg”, dat eigenlijk een germanisme is voor: zijweg.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
opweg , opweg , mannelijk , opwiääge , toegangsweg
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal