elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opzetten

opzetten , [overeind zetten, tot stand brengen] , opzetten , In de Keuren van Breda, bij mij in handschrift berustende, vind ik onder de artikelen, bedragen in het jaar onzes Heeren duysent vier hondert vijve en dertig bij den Heere, en bij der stad ende oock bij den mannen ons lieffs genedige jonker van den Lande van Breda: “Item soo wie met opsetter lage sijnen vijand wagte enz.” Dat opsetter lage hier is opgezetten lage, dat is, gelijk wij thans spreken, met geleider lage, ziet een ieder; dan, hetwelk ik hier wilde aanmerken, is, dat het werkwoord opzetten eertijds ook genomen werd in de beteekenis van opzettelijk iets te doen of voor te nemen. Bij KILIAAN is het in dezen zin uitgelegd door veurnemen, en vertaald proponere; statuere in animo, decernere vel destinare animo.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
opzetten , opzetten , (werkwoord) , verkrijgen, bekomen, nemen. , Hij heeft eene vrouw, eenen knecht, eenen winkel opgezet.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
opzetten , opzetten , het in het schoteltje omgekeerde kopje recht zetten; zet oe koppien no ies op! = laat mij u nog eens inschenken; Gron. zet moar op, enz. Wordt ook van vee gezegd, en zooveel als: op stal zetten, en van korven, waarvan de bijen in het leven zullen blijven.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
opzetten , opzetten , opkomen; de lōcht zet in ’t oost op = in ’t oosten komt een onweer op.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opzetten , opzetten , van een ambacht, enz. bv.: ’t varven, timmêrn, bakken, sniederken, enz. opzetten = zich als verver, timmerman, enz. vestigen. (v. Dale: eene school, eenen winkel opzetten.)
zooveel als: op het spel zetten, met gewijzigde beteekenis; alles bie zien kinder opzetten = zijne geheele bezitting, al wat men heeft er aan te koste leggen. hij het alles bie de vlasfoabriek opzet = zijn geheele vermogen in die onderneming gestoken.
in: ’t vei opzetten = het vee in den herfst op stal zetten; Oostfriesch fê upsetten. Hiervan: opzetters = koeien, welke de veehouders aanhouden, niet verkoopen. “ – ten einde in den herfst beste opzetters te hebben, zooals de veehouders teregt koeijen noemen, welke zij in den herfst op stal zetten.” (Teenstra’s Alman. 1848.) – Wordt ook van bijenkorven gezegd waarvan men de bijen in het leven laat; ook Drentsch; dei beiker het twintig körven opzet.
van een zoogenaamden regel van drieën = de termen der evenredigheid in de vereischte volgorde plaatsen; meester het mie zegt hou ’k dei som (uit den Regel van Drieën) opzetten mōs, moar ik krieg hōm nijt goud.
voor: verzetten, in: ie mouten joe doar wat tegen opzetten = bv. die droefgeestigheid zoeken te bestrijden.
bij ’t schaatsenrijden den voorrijder voortduwen, tegengestelde van: in ’t gad hangen.
het kopje in het schoteltje laten staan na het te hebben leeggedronken, niet op zijde leggen of omkeeren; ten teeken dat men nog meer koffie (of: thee) verlangt; zet moar driest op, is nog genōg; duur ’k nog weer opzetten? Zie ook: omkeeren.
Op St. Nikolaas is het hier en daar gebruikelijk dat kinderen ook bij buren of andere vrienden een bord of korfje brengen om ook daar van zijne gaven te ontvangen, bij v. Dale: den schoen bij iemand zetten; ie mouten ook bie mie opzetten, Sunderkloas ridt hier ook, zegt dan de buurvrouw tot hare buurkinderen. Volstrekt algemeen is het dat zij in het ouderlijk huis opzetten; nl. die nog niet ofzolt zijn. Zie: ofzoltjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opzetten , opzetten , (zwak werkwoord, transitief) , Zie de wdbb. – Bij het schommelen. Door zetten in de hoogte doen gaan; zetten geven aan een kind, dat op de schommel zit. – Vgl. zetten. || Wil je me nog ers opzetten? Zet me eris goed hoog op. Ik ken me zelf wel opzetten (in beweging brengen). Zo ook elders in Holl. – Vgl. opzetter.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
opzetten , opzetten , opofferen, ten koste leggen, altijd door bie gevolgd: hij het al zien geld bie zien kiender opzet; bij v. Dale o.a. = wagen, op ’t spel zetten.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
opzetten , opzetten , opduwen (bij schaatsenrijden), opzetten. Nen wal opzetten: een wal herstellen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
opzetten , opzetn , werkwoord , 1 overeind zetten, 2 uitstellen, 3 wed. zich verbeteren, van weer
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
opzetten , opzette , werkwoord , Ook: 1. Openzetten (verouderd). | Zet ’t raam effies op. 2. Op stal zette. | Hei-je de koeie al opzet? 3. Een eerste bod doen bij het handelen op de markt. 4. Planten. | Ik hew ’n zoôt gladdejolekrale opzet.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
opzetten , opzëtte , zat op, haet of is opgezat: opzetten. Aeven ’t kiekiezer opzëtte: even de bril opzetten. Zët ’m op: begin maar. De naober va mich haet zich opgezat veur de raot: mijn buurman heeft zich candidaat gesteld voor de gemeenteraad. Opgez
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
opzetten , opzette , werkwoord , het met palen omhoogbrengen van de *bergkap bij een hooiberg, voordat er hooi in gebracht wordt (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
opzetten , opzetten , 1. overeind zetten. 2. opklaren (van het weer).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
opzetten , opzetten , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. opzetten Ik mot neudig de eerpels opzetten op het vuur zetten (Ros), Zet ie èven koffiewater op? (Zdw), Zie hebt een hoesholding opzet zijn gaan trouwen (Sle), Hie zette grote ogen op (Odo), Wat kan die een kröp opzetten! (Mep), Hij zette een grote bek op (Rui), Wij hebt de akker met rogge der of. Nou moej hum wel even opzetten in hokken zetten (Emm), Een dubbele gast is vierkant opzet (Coe), Der kwam vanmiddag wind opzetten het begon te waaien (Gie), De locht betrekt, der komp onwèer opzetten (Dwi), Ootien wil het jonkien een paar hoosies breien, mar het wet niet hoeveul of het opzetten möt hoeveel breisteken (Sti), Ik wil nog een paar hozen opzetten op de breipennen zetten (Sle), Zet nog mor ies weer op, dan tap ik nog weer in zet je (omgekeerde) kopje bij (Eel), ook Zet het koppien nog ies op (Oos) 2. optasten IJ moet de kanten goed opzetten (Sle), ...deur uut het gat-ende van de garve een toppe dwars te leggen onder de naost liggende garven (Wsv), Die put is met vlinten opzet (Gas), Hij mus nog een voor mes opzetten (Gas), De diek opzetten verzakking van de kanaaldijk herstellen (Ass) 3. opkomen Het liekt er alles op dat het weer zuk opzet beter wordt (Bov), Het is opgaonde maone, nou zal het wèer wel wat opzetten (Koe), As het weer wat opzette, gungen wij wal ies hen umhokken um de hokken wat holler te hebben staon, zodat de wind er beter deur kun (Hoh), As de wind mor opzet, wordt de wolken wel lösjaagd (Gas), Die buie zet zo op komt zo meteen (Rui) 4. opdagen Hij kwaamp mit een hiele anhaank opzetten (Hgv), Het wordt slecht weer, de meeuwen komp opzetten (Ruw), Het volk kwam in drommen opzetten (Gas) 5. op stal zetten voor de winter De biesten bint al op ezet (Hgv), As het zuk ruzig weer blef, zette wij de koenen op (Ruw), Hej aordig opzet? hoeveel koeien heb je deze winter in de stal (Sle), Dat is zo’n mooi kostiempie, die zette wij veur de winter op (Hijk) 6. ophitsen, aanmoedigen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Man, zet dat pèerd ies een beetien op, ...an (Sle), Hie hef ze tegen mekaar opzet (Oos) 7. opzwellen Ik heb mie stöt en nou zet mie de hand op (Bov), De gaogel is mij op ezet (Ruw) 8. verhogen, omhoog doen Ie mut de krage goed opzetten (Bro), Het riek hef de belastings ok weer opzet (Eex), Zet het raam mar op en de hörre der veur (Eli), Het tuugpèerd wordt de kop opzet er door middel van opzetteugels voor zorgen dat het paard het hoofd mooi hoog draagt (Sle) 9. opdienen Jantien, ie kunt het eten wel opzetten (Ruw), Ankriegen volk, opgezet is geneugd opgediend betekent dat je uitgenodigd bent om toe te tasten (Coe) 10. openzetten (Zuidwest-Drenthe, zuid) Waorum zet ie die deuren tegen elkaar op? (Hol), Alle deuren tegen mekaar opzetten, dan kan het nog even deurluchten (Ruw) 11. voor de gek houden, te kijk zetten Wij zult hum er is even opzetten (Dro), Zij hebt hum der mooi opzet (Eev), ook Ze hebt hum der mooi opzet mooi gefotografeerd (Ndo), Die zulle wij der vandage is opzetten (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opzetten , ópzètte , opzetten , És't graon gemaojd én gebónde was moes't ók nog óp héúp gezèt worre. Als het graan gemaaid en opgebonden was moest het ook nog op hopen gezet worden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
opzetten , opzetten , werkwoord , 1. overeind brengen, in een opwaartse stand brengen 2. in elkaar zetten, oprichten 3. volgens een bep. toeleg, opzet stapelen, bijeenbrengen, opbouwen 4. opvullen: om in de vorm van het dier zelf te bewaren 5. oprichten, beginnen 6. opstoken 7. flink z’n best doen 8. openzetten 9. op iets plaatsen, ook: op z’n hoofd zetten, op z’n neus zetten 10. op een kookinrichting, kachel e.d. plaatsen 11. op stal plaatsen, in een schuur e.d. zetten 12. beginnen, in de eerste toer breien 13. opzwellen 14. komen aanzetten, naderen 15. van de wind: in de richting draaien (van) 16. beter worden, opklaren 17. in gevaar brengen, verspelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opzetten , opzitte , werkwoord , zat op, opgezat , vrijen , schrijven opzitte VB: Zit 't mer op, ich kaom atrèin waol betaole
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
opzetten , opzetten , 1. op schoven zetten (van gemaaid koren); 2. aanspannen (van een paard); 3. harder beginnen te waaien; 4. bijschuiven (van kopje of bord, om nog eens gevuld te worden) (W.-Veluwe); 5. bij kinderspel: aftellen en (bij verstoppertje) gaan zoeken (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
opzetten , opzètte , zwak werkwoord , opzètte - zètte(n) op - opgezet , opzetten; aanschaffen; in het bijzonder het opzetten van een gezin / huishouden; Cees Robben – Ge het ’n schôôn vrouw opgezet/ Kees.. (19640221); Cees Robben – Gij moet ’n vrouw opzette, Sjef.. Gao op de Zaandpad noemer zeuve mar is aon de bel hange... Daor zitte nog twee aauw soepkiepe.. (19720211); WBD ópzètte (II:999) - bomen, (een kepertje, een platte, 'n andere ketting opzetten; ook: beume of (de ketting) klaorzètte genoemd; WBD III. 3. 1:61 'opzetten', 'opslaan' = verhogen; A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opzetten 1) het gemaaide veldgewas; 2) trouwen (resp. v. man of vrouw); 3) een dier op stal zetten, bepaaldelijk om het te mesten. Antw. OPZETTEN - opschikken, opsmukken; een dier aankoopen om het te vetten; op het vuur zetten.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal