elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: paltrok

paltrok , paltrok , ouderwetsche rogge- of houtzaagmolen, die met zijn houten mantel geheel rondgedraaid; ook Zaansch. Zoodanige houtzaagmolen bij v. Dale: een soort van zaagmolen. Kil. Nederduitsch paltrock, Middel-Nederduitsch, Oostfriesch paltrok, palsrok = met een houten mantel omkleede wind-zaagmolen. – ten Doornkaat brengt het woord tot het Latijn palla = lang, wijd opperkleed, enz., of tot het uit pallium ontstane Nederduitsch palle = dek, kleed, overtrek (waarvan paletot), en: rok. (Bij v. Dale ook = pelgrimsrok, pelgrimstabbaard.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
paltrok , paltrok , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zeker soort van houtzaagmolen. De paltrok heeft een houten, meestal zwartgeverfde bekleding, die aan een wijde, brede mantel doet denken, en staat op rollen, zodat bij het naar de wind zetten de gehele molen wordt rondgedraaid. Ook elders in ons land en in Oost-Friesl. vindt men paltrokken. Zij zijn zo genoemd naar hun gelijkenis met een paltrok, tabbaard, een thans verouderd manskledingstuk, dat onder deze naam reeds in de latere middeleeuwen voorkomt. Vgl. FRANCK 715 op paltrok.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
paltrok , paltrok* , bij v. Dale ook = pelgrimsrok, pelgrimstabbaard.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal