elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pardoes

pardoes , pedows , Da’s pedows ook woar! dat is verdoemd ook waar! Een vloek die nog uit de Spaansche revolutie-oorlog is overgebleven. Sp. par dios! bij God. L. F. perdoes!
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
pardoes , pardoes , Waarachtig, waarlijk, zoo waar; een vloek, het Spaansche par Dios, bij God, zoo als ook de Heer Halbertsma het verklaart; vergelijk ook Bilderdijk, over een oud Amsterdamsch Volksdeuntjen, Leyden, 1824, blz. 11. Ook Overijselsch, en zoo vonden wij het ook in de Rijmen van den in jeugdigen ouderdom overleden Zwolschen dichter J. C. Pruimers, Amsterdam, 1821, blz. 64: ‘Op zoo’n duvelse temptautie, / Kan, perdous! en borrel staun! (staan).’ Pardoes beteekent ook onverwachts, onvoorziens: ‘hi viel em zoo pardoes op ’t lief,’ zoo plotseling; als zoodanig wordt het door den Heer Halbertsma op eene andere plaats afgeleid van het Fransche perdu, Italiaansche perduto, verloren, terwijl hij er bij voegt: ‘de Engelsen en hebben perdu in den zin van eene wacht in hinderlage op eenen gevaarlijken post. To lay perdue.’ Overijsselsche Alm. v. Oudh. en Lett. voor 1845, blz. 236.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
pardoes , pardoes , (bijwoord) , regtstreeksch, regt toe regt aan. Dat gaat er pardoes op aan; je moet er maar pardoes op aanhouden.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
pardoes , pedows , pedouws, perdows , onverwacht, onvoorziens, onverhoeds, plotseling. Gron. Friesch perdoes; NBrab. perdoes = eensklaps; NHoll. pardoes = regelrecht, zonder omwegen; Holst. perduz. Wellicht ontstaan uit den basterdvloek: pardoes = waarlijk, waarachtig, zooals in Overijs. en Geld. gehoord wordt en dit van het Spaansche: par Dios! = bij God! Het kon licht uit den tachtigjarigen oorlog zijn overgebleven, en zou dan zooveel zijn als: iemand met den uitroep van par Dios op het lijf vallen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
pardoes , perdoes , voor: onverwacht, onvoorziens, onverhoeds, plotseling; hij vōl perdoes op mie an; hij bleef perdoes stoan; hij sloug hōm zoo moar perdoes veur de kop; ook Friesch; Drentsch pedouws. Noord-Hollandsch pardoes = regelrecht, zonder omwegen; Noord-Brabantsch perdoes = eensklaps; Oostfriesch pardauz, Holsteinsch perduz, Hoogduitsch pardauz, pardooz, parduz, tusschenwerpsel van een klinkenden val of stoot = bons! klets! slap! pardoes! Pommersch, enz. perduuz, Middel-Nederduitsch pardûs; v. Dale: pardoes, perdoes, bw. eene verzachting van het Fransche par Dieu, bij God! waarachtig! In Overijselsch en Geldersch padoes = waarlijk, waarachtig, verdoemd waar. – Zal het niet komen van het Spaansche: par Dios! = bij God! Dit kan uit den Spaanschen tijd zijn overgebleven, en, perdoes op iemand aanvallen, zooveel zijn als: iemand met den kreet par Dios! op ʼt lijf vallen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pardoes , perdoes* , bij v. Dale “pardoes” en “perdoes”, verbastering v. “par Dieu!”; in ’t Hoogduitsch heeft men: pardauz, pardooz, parduz.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
pardoes , pedůs , pardoes
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pardoes , pedoew! , uitroep bij jacht, voor dier op de grond
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pardoes , pardoes , perdoes, perdous , bijwoord , Ook perdoes, perdous (Zuidwest-Drenthe, zuid) = pardoes, onverwacht Het wicht ree perdoes in de sloot (Zey), Ze steuken perdous de weg aover (Eli), Hie stun pardoes veur mij (Zwe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pardoes , pärdous , (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) pardoes
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pardoes , perdoes , pardoes, plotseling , Vèlt dieje klééne toch perdoes in dieje slóót, we zaage’net meej z'n allen gebéúre. Valt die kleine toch pardoes in die sloot, we zagen het met zijn alle gebeuren.
Héij köm'ter perdoes binnegevalle én schûift meej ôn de tôffel, krék of't zóó hurd. Hij komt er plotseling binnengevallen en schuift meteen aan tafel, net of het zo hoort.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
pardoes , perdoes , pardoes , bijwoord , pardoes, plotseling
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pardoes , pärdoes , (bijwoord) , pardoes, plotseling, onverwacht.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal