elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: parlevinken

parlevinken , parlevinken , scharrelen, haspelen, dooreenwoelen. Oostfriesch parrelfinken, parlifinken = bij de huizen een weinig handel drijven in koren, boter, enz.; zonder bepaalde bezigheid overal rondloopen. (Nog tot ongeveer 1870 werd te Amsterdam Vecht-water aangevoerd in schepen, die, evenals hunne schippers, parlevinkers werden genoemd.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
parlevinken , parlevinken , (zwak werkwoord, transitief) , Handelen, verrichten. Zie parlevinker. || Ik kom ers kijken, of er nag wat te parlevinken is.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
parlevinken , parlevinken* , nog tot ongeveer 1870 werd te Amsterdam Vechtwater aangevoerd in schuiten die evenals hunne schippers “parlevinkers” werden genoemd.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
parlevinken , parlevinke , werkwoord , Ook: 1. Sjacheren. 2. Prutsen, knutselen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
parlevinken , parlevénke , parlevénkde, haet geparlevénk , praten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
parlevinken , parlevinke , werkwoord , rondlopen, rondsnuffelen zonder bepaald doel (KRS: Lang, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 101). Van Dale (1992, p. 2239) geeft voor parlevinken onder andere de betekenis ‘van de ene plaats naar de andere trekken om kleinhandel te drijven’, afgeleid van parlevink : ‘iemand die geen vast beroep of verblijft heeft’, op zijn beurt ontleend aan de naam voor ‘vinken die zelden op de baan komen en die men dus bij toeval te pakken krijgt’ (parle komt misschien van par l’ occasion ).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
parlevinken , parlevinken , onbepaald werkwoord , doelloos rondlopen Ze luipen bai de straot te parlevinken (Row), Hij lop wat um het hoes te parlevinken (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
parlevinken , parlevinken , poelevinken , werkwoord , 1. doelloos rondlopen, flierefluiten 2. venten bij mensen die op schepen wonen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal