elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: peg

peg , pegge , [houten pen.]
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
peg , pegge , houten pin, Gron. pig, pigge.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
peg , pig , pigge , korte stok, aan het eene eind gepunt, om in den grond te drijven en daaraan een touw te bevestigen. Verkleinwoord piktje = piggetje zooals bv. de schoenmakers gebruiken. Te Hellum te verkoopen: “ploegen, eggen, zaadkleed met piggen”, enz. Tot worstpiggen gebruikt men ook de dorens van den meidoorn; de schoupiggen zijn van eikenhout. Drentsch pegge; Zuid-Nederlandsch peg = kleine houten pen of pin waarmede men iets vastmaakt; Noordfriesch pick, Engelsch peg.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
peg , pig* , bij v. Dale (Zuidnederlandsch): peg.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
peg , päggen , mannelijk , wig, houten pin
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
peg , peg’n , zelfstandig naamwoord, mannelijk , wig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
peg , peg , pegge, pigge , de , peggen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe met rekking). Ook pegge (dva, hy:Rol), pigge (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = houten pen Een pigge in een ege (Klv), Klompen opballen met peggen (Sle), Ik heb er een peg bai inhouwd (Row), Een peg holdt dizze tweei balken bij ’nkander (Eex), Peggen waren van eiken of eschen (Row) *Honderd worsten / Honderd peggen / Honderd mèenschen / Honderd wèenschen (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
peg , pegge , peg , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook peg (Kop van Drenthe) = enigszins kwaad persoon Wat een pegge van een wiefien (Sle), Dat wicht is een peg (Zey), Die pegge van een kerel eigenwijs (Pdh), Het is een pegge iemand, die uit slechte beginselen handelt (N:Zwe), Wat is dat een pegge serpent (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
peg , pegge , pigge , zelfstandig naamwoord , de 1. peg, ook: houten, wigvormig pennetje om iets mee vast te zetten 2. hetz. als penne, bet. 4, bijv. Dat schut zit mit een pegge vaaste
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
peg , peg , houten wig.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal