elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pendam

pendam , pendam , pindam , schutdam in eene sloot die het water moet opsluiten, of: hooger water afsluiten; zulke slooten noemt men: bepende slooten; – bependen, of: bepennen van eene sloot = haar door een aarden dam afsluiten. “De Kropswolderbinnenpolder is door de Staten van Groningen als waterschap gereglementeerd en buiten de werken, welke privaat eigendom des waterschaps zijn, bestaat de waterkeering uit zoogenaamde pendammenˮ, (enz.), en nu geschiedt het meermalen, dat in zoo’n pendam een gleuf gegraven wordt om het water te lozen op het binnenwaterˮ, enz. Ommel. Landr. IV, 33: Dijcken ofte pendinge die water schutten, behoort men sonder breucke niet anders te gebruyken dan een man te voete, – eensluidend met art. 25 van BK. III van het Old. Landr. Dit pending komt o.a. ook voor in eene advertentie van 14 Mei 1865: “Gecommitteerde Schippers van het Scharmer Zijlvest gedenken de Schouwing te doen over den Reitdiepsdijk en over de pendingen en dammen onder de Schepperij het Ooster-Stadshamrikˮ, enz. – Oostfriesch penndamm = kleine schutdam; Engelsch pen = hok, perk; to pen = opsluiten. Vgl. dam.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pendam , pendam* , Engelsch: “pen” = hok, perk; “to pen” = opsluiten.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal