elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pentelentig

pentelentig , penterlendîg , penterlentîg , penterlendîg (Stad-Groningsch), penterlentig = licht ongesteld, vensterziek; ik bin nijt zoo zijk moar wat penterlendîg. Vgl. krik, en: krebentig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pentelentig , pentelentig , (pentǝlentǝch, met de hoofdtoon op len) , (bijvoeglijk naamwoord) , Gevoelig, teer, zwak, van een vrouwelijk wezentje, dat het nu eens aan de gezondheid en dan weer aan de kleding hapert (Krommenie). || Ze is zo pentelentig. – Evenzo zegt men in Gron. penterlendig voor licht ongesteld, vensterziek (MOLEMA 320).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pentelentig , penterlendig* , vergel. krik * en krebentig *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
pentelentig , pentelentig , bijvoeglijk naamwoord , Kleinzerig, zwak, gevoelig (verouderd). Mogelijk schuilt in het woord Frans pantulant = hijgend, trillend.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal