elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pil

pil , [afkeer] , pil , afkeer, walg. , Hij heeft een’ pik op hem. Hij heeft er een mier aan.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
pil , pil , pille , dikke boterham; ook Zuid-Nederlandsch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pil , piel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. pil en de samenst. bokkepiel, hakkepiel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pil , pil , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Brok, dik stuk, in het bijzonder van brood. || Hè wat krijg ik ’en dikke pil. Zo’n pil ken ik niet op. ’t Is ’en hele pil. – Zo ook elders. In Waterland zegt men in dezelfde zin piel (NAVORSCHER 7, 161; BOUMAN 79). Vgl. pielen, hakken, snijden met een stomp mes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pil , pil , pille = dikke boterham: ’n guie pille: bij v. Dale alleen Zuidnederlandsch.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
pil , pille , vrouwelijk , ne pille drop: een pijp drop; ne pille brood: een snee roggebrood.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pil , pille , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , piln , pillken , 1 dokterspil, 2 spil, pegel. Ne pille, een flink stuk; ne pille stoete, een snee brood; eenn ne pille in n haals hangn, iem. een leugenachtige voorstelling van iets geven
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pil , pil , m , dokter De pil De dokter (komisch bedoeld).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
pil , piel , zelfstandig naamwoord de , Dikke boterham, dikke plak koek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pil , pil , vrouwelijk , pille , pilke , pil, boterham.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pil , pille , 1. dik, b.v.: ’n pille brood = dikke snee brood. 2. grote hoeveelheid, b.v.: ’n pille gas = een dot gas. 3. pil.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
pil , pille , benaming voor de dokter.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
pil , pille , 1.’n pille brood: een dikke snee roggebrood; 2. de pille: vroegere benaming voor dokter 3. pil.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
pil , pil , pille , de , pillen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, ook elders in bet. 4.) .Ook pille (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. pil Dei slikt al een heile tied pillen, man het helpt niks (Bov) 2. iets diks, vooral gezegd van een boterham Die kwaojong lust wel een dikke pil (Row), Die dikke pille brengt de bosschop goed over stilt de honger (Die), Dat boek, dat is een beste pil (Emm) 3. dokter Ik bin vanmorgen nog even naor de pille ewest, melesienen halen (Ruw), z. ook pillefrits 4. trap Za’k joe een pille in de kont geven (Klv), Hij gaf dei balle een pil! (Eco) 5. klus (Zuidoost-Drents zandgebied) Dat is nogal een hiele pil um dat klaor te kriegen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pil , pille , pil
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pil , pille , pil.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pil , pille , pil , zelfstandig naamwoord , de 1. tabletvormig geneesmiddel 2. anticonceptiepil 3. huisarts 4. dikke plak brood 5. zwaar, moeilijk karwei, in een hiele pille 6. dik boek 7. schop onder iemands achterste
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pil , pêl , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , pêlle , pêlke , pil , VB: Gebruúk de pêlle op dy d'n dokter dich hèt vuurgesjriëve.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pil , piel , zelfstandig naamwoord mannelijk , piele , - , stapel , (kisten bijv.) piel (fr. 'pile': stapel) VB: Oppe vyling sjtoûnge lang ryje mêt piele appele.; hoeveelheid (een grote hoeveelheid) pêl VB: Zju, dè hèt zich dao 'n fleenke pêl greun moos debênne gehoûwe.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pil , pil , p batterij.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
pil , pille , (zelfstandig naamwoord) , 1. pil, medicijn; 2. iets dat dik is. Een pille brood. Een pille van een boek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
pil , pil , pille , 1.dikke snee brood; 2. roggebrood.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
pil , pillen , zaad van de grote weegbree (plantago major) (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
pil , Dordtse pil , dikke boterham
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal