elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pip

pip , pip , (vrouwelijk) , ziekte der tong bij vogels, bij menschen voor de griep gebruikt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pip , pip , in: de pip weg hebben = de kiem eener ongeneeslijke ziekte bij zich dragen; ook Oostfriesch. Nedersaksisch, Holsteinsch = ziek zijn en ten doode opgeschreven; de pip mit weg kriegen = door de eene of andere oorzaak in zulk een toestand geraken. Behalve van de pip, eene ziekte onder de vogels, welke in eene verstopping der neusklieren en eene verharding van de punt der tong bestaat, Engelsch pip, Fransch pepié, Latijn pituita, Hoogduitsch Pipp(s), Pfipps, Middel-Nederduitsch pipp, Nederduitsch pipp spreekt men hier van: pip op de steert (of: start), ’t welk bestaat in de verzwering eener staartklier, en als doodelijk geacht; de pip weg hebben dus eigenlijk: aan die doodelijke ziekte lijden. – Ook = de pik weg hebben = smoorlijk verliefd zijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pip , pup , (bijvoeglijk naamwoord) , Loom, niet wel (Westzaan). || Ik ben zo pup. – Pup zal wel de dialectische vorm zijn van pip; vgl. Ned. pips, flauw, ongesteld, en de pip, zekere vogelziekte.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pip , pup , pip , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Pip; zie de wdbb. – Ook als verwensing. || Krijg de pup van mijn portie (van mijn part).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pip , pip* , Hoogduitsch Phipps, Pipp, Pipps; “hij het de pip (ook: pik) weg” beteekent ook: hij is smoorlijk verliefd, elders (min gunstig): ’t spek weg hebben.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
pip , pup , pip , zelfstandig naamwoord de , Variant van pip, kippeziekte. Zegswijze Kroig de pup, verwensing.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pip , pip , de , 1. ziekte bij hoenders Oeze hoender hebt de pip (Sle), als verwensing Kinst um mie de pip kriegen (Eco) 2. pee (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Hij hef de pip in (Wee) 3. (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), in Hij haar de pip weg (Row), ...oet hij had het zwaar te pakken (Eke)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pip , pip , ziekte onder kippen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
pip , pip , (Gunninks woordenlijst van 1908) een kippenziekte. Gunninks woordenlijst van 1908: IJ ef de pip weg ‘hij heeft een knak gekregen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pip , pip , zelfstandig naamwoord , de 1. (bij de mens) pip, d.i. veelal koorts of griep 2. (bij vogels) smeerklier boven de staartwortel 3. pip, bekende ziekte bij vogels
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pip , de pip , kippenziekte
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
pip , pip , zelfstandig naamwoord , snot (kippenziekte) (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
pip , pips , oogvocht (verdroogd –)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal