elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: planketting

planketting , planketting , houten schutting.Dr.Landr. (1712) IV, 8: Ieder zal zijn Putten moeten bevreden met Muren, Tuinen, Planketten of andersints. Gron. planketten (geschreven planketting) = houten schutting tot afsluiting van een erf, pleintje of tuintje. Ook Neders. Holst. Westf.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
planketting , planketten , (planketting) = houten schutting tot afsluiting van een erf, tuintje of pleintje. Bij Auwen: staketten = heining; v. Dale: planket, planken vloer, planken beschot. Met het Groningsch komt overeen het Drentsch, Nedersaksisch, Holsteinsch, Westfaalsch (In Hongarije zouden dorpen, met zulke houten schuttingen omringd, palanken heeten.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
planketting , planketten* , vergel. stranketten *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
planketting , planketting , de , plankettings , (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën) = houten schutting Wij hebt een planketting tussen de tuun van de buren en ons laoten zetten (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal