elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: planteit

planteit , planteit , veel, overvloedig, bij Auwen = buitengewoon; v. Dale planteit (verouderd) = overvloed. Middel-Nederlandsch plaintheit, Engelsch plenty. Vgl. plentie.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
planteit , planteit , planteitig , (bijvoeglijk naamwoord) , Daarnaast planteitig. Overvloedig. || De peren benne planteit. ’t Is ’en planteit jaar, alles groeit welig. De grau arte (erwten) planteyt …, boone van gelijke mede plantijt, Journ.Caeskoper, zomer 1699. Ik wil je turf niet kopen; ik heb er nag planteit van (rijkelijk). ’t Hooi is planteitig. – Het woord komt ook voor als geslachtsnaam PLANTEYDT. – Planteit is in geheel N.-Holl. gewoon (DE JAGER, Taalk. Magaz.3, 514) en komt ook elders voor, b.v. in het Stad-Fri. en Gron. (MOLEMA 326). Evenzo vermeldt KIL.: “Planteit, huber, abundans, largus”. Als zelfstandig naamwoord in de zin van overvloed is het woord in de Middeleeuwen en later zeer bekend; vgl. OUDEMANS en KIL., en voor de 16de e. ook DE BO. Het woord is uit het Romaans overgenomen en behoort bij Lat. plenitas, Ofr. planté, Eng. plenty.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
planteit , planteit* , vergel. plentie *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
planteit , plantaait , in overvloed
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
planteit , plantoit , bijvoeglijk naamwoord , Overvloedig, veelvuldig (verouderd). Uit het Oudfrans plente(t). Vgl. Engels plenty. Zie ook Boek. onder planteit.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
planteit , plantoit , bijvoeglijk naamwoord , [Whw] stellig, overtuigend Ik doch dasse loog, maor ze hiew ‘t plantoit vol
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal