elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plukschuld

plukschuld , plukschuld , plukkelschuld(e), plōkschulde , losse schulden die van tijd tot tijd gemaakt zijn, kladschuld, kleine huisschuld. Spreekwoord: Plukschuld en stofregen dringen deur = die kleine schulden worden groot en maken het iemand op den duur zeer lastig. Oostfriesch plikkschulde = kleine schulden; Plikkschulden un stofregen, de dringen dör. West-Vlaamsch plakschuld, schuld die men maakt met op krediet te koopen. Nedersaksisch, Holsteinsch plikschulden, Pommersch plikkschulden; Nedersaksisch plik = kleinigheid, gedeelte, brok; Zweedsch plocksculd, Deensch plukgjele Hoogduitsch Läpperschuld, Klitterschuld, Aken lappeschold. Vgl. klikschulden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
plukschuld , plukschuld* , vergel. klikschulden * (bij v. Dale kladschuld.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal