elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: polsstok

polsstok , pōlstok , (polsstok) = pols, springstok, van onderen met een klos voorzien; eigenlijk een pleonasme Kil. Pols, polsstock; v. Dale pols = springstok; plonsstok, polsstok = springstok; Oostfriesch pulsstok. Spreekwoord: Men mout nijt wieder springen as de pōlstok lank is (men moet niet verder (willen) springen als de pols lang is, dat is reiken kan), zooveel als: men moet niets ondernemen wat boven onze krachten gaat, vooral niet ten opzichte van geldzaken. Zie ook: hakken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
polsstok , pōlstok , vergel. koar *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
polsstok , polssjtėk , mannelijk , polssjtėkke , polssjtėkske , polsstok.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
polsstok , polsstok , de , 1. polsstok Zij waren an het polsstok springen (Sle), De polsstok bij het plumpen achter het visnet (Eli), z. ook polsen II, polstern (fig.) Hij sprunk wieder as de polsstok laank is wilde meer doen dan haalbaar was (Dwi) 2. deel van de karn (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), z. ook pols
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
polsstok , polsstok , polsestok, poolsstok, poolsestok , zelfstandig naamwoord , de; polsstok: plonsstok; pols
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal