elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: potschipper

potschipper , potschipper* , oudtijds had dit woord een geheel andere beteekenis. In 1661 o.a. wordt gesproken van schepen “potten” of “pointen” geheeten, in 1675 van “potschipperen” en in 1677 van “potman”, “potschipperen”, “pontschipperen.” Zulk een “potman” heette ook “buitenman”, omdat hij over zee kwam, in tegenstelling van den “binnenman”, die alleen de kanalen bevoer; sedert 1784 echter was “potschipper” de algemeene naam voor elken turf- en ook vuilnisschipper. De oorsprong van ’t woord “pot” of “point” is niet bekend: beide vormen kunnen verbasteringen zijn van “pont”, dat echter juist in 1661 nog niet voorkomt; vgl. ook ’t Nederlandsche “punter.” Zie: Trip, De reiniging der stad Groningen, bl. 240 en verv.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal