elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: praaien

praaien , praien , (= praaien), voor: aanspreken, staande houden op straat enz. Zeemanswoord. Oostfriesch praien, preien, Engelsch pray = bidden, vragen, aanroepen, aanzoeken; uit het Oud-Fransche preier, uit het Latijn precari, van prex, precis = bede, verzoek.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
praaien , prailen , (Stad-Groningsch) = elkaar kruisen, van brieven. Waarschijnlijk verbastering van: praaien, in den zin van: (op reis) ontmoeten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
praaien , prailen , (Stad-Groningsch) = elkaar kruisen van brieven, eigenl. praaien.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
praaien , prajen , Weer een rest van Romaanse invloeden. We moeten denken aan het Franse prier en zijn Lat. oorsprong. Uitnodigen. Iemand, die zich altijd laat bidden en smeken: Dij lot zok aaltied prajen. Dij huifst nooit te prajen. Ikke kom nait - ik bin nait praaid.
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal