elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: praktijk

praktijk , praktiek , (praktijk). Zegswijs: praktiek is bie de mens = gijn loozer goud as mensen. Vrije vertaling van: practica et multiplex.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
praktijk , praktiek , in: praktiek is bie de mens! = de mensch is vindingrijk! (vgl. practica est multiplex); ’t komt overeen met bldz. 131 II: gijn loozer goud as menschen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
praktijk , praktiek , de , praktieken , 1. praktijk In de praktiek pakt het wel ies aans uut, of aj het eleerd hebt (Eli), Aj dat in praktiek wilt brengen, valt het vaak nog wal tegen (Hoh), Dat is een man uut de praktiek (Klv) 2. beroepspraktijk Die dokter hef een goeie praktiek (Gro), Hij hef zien praktiek nich in hoes (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
praktijk , praktiek , zelfstandig naamwoord , de; praktijk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal