elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: risteren

risteren , riestern , riesterken, riestertjen , een spel met noten of knikkers die op eene rij achter elkander worden gezet, en waarvan alleen de voorsten, dat is die ’t verst van den speler verwijderd zijn, mogen geraakt worden. Brengt deze – (met zijne noot of bom) bv. nommer 4 uit het gelid dan zet hij er 3 bij als boete; raakt hij alleen de op ’t eind staanden dan heeft hij die gewonnen, en roept dan: dun! in ’t ander geval roept men: dik! Wordt door veel dik te schieten de rij te lang, bv. tot dicht aan de streek waarachter de speler de voeten zet, dan wisselt men een deel der rij met centen. Dit spel wordt veel op Paaschdagen met noten gespeeld. – riestern, frequentatief vorm van: risten, tot eene rist maken; rist = als aaneengeregen voorwerpen; Hooft riste = reeks. Zie ook: dibken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
risteren , riestêrn , riesterken , zie: dikdunnen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
risteren , riesterken , riestern*, vergelijk ook diksnitteren *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
risteren , riestern , notenspel met Pasen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
risteren , riestern , reestern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook reestern (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. schurkende bewegingen maken, trappelen, druk, opjagend en onrustig zijn Lig toch niet zo te reestern in het bedde (Die), Schei toch ies uut te riestern, ie kunden wel onder het ongemak zitten (Ruw), Die ko wil kalven, die begunt te reestern trappelt wat heen en weer (Pes), Wij meut maor wat begunnen te reestern, want het duurt nogal even, veurdaw klaor bint ons gereed maken (Rui) 2. klauteren, stoeien De stoele wordt aordig minder, mar wat wi’j ook mit die jongen der op te riestern (Ruw), De kiender zitten op het heui te riestern, ze reept alles uut mekaere (Vle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
risteren , riestern , onbepaald werkwoord , (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = spel, noten schieten Met riestern moej goud kuren, aans mis ie (Eev), z. ook riefken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
risteren , riesteren , werkwoord , 1. enigszins staan trappelen: van koeien die bijna aan het kalven toe zijn 2. de zaken opruimen, oppakken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
risteren , riesele , werkwoord , riesel, rieselde, gerieseld , moerig ploegen (ondergronds ploegen)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal