elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rodehond

rodehond , [kinderziekte] , roodehond , (rooijenhond uitgesproken), zeggen de lagere standen hier veel in plaats van roodvonk.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
rodehond , roodhond , (Ommelanden) = roodvonk, (of eene soort ervan) welk woord meer algemeen gebruikt wordt, in ’t Nederlandsch onzijdig, hier vrouwlijk: hij het de roodvonk. In sommige deelen der Ommelanden is roodhond eene niet gevaarlijke huiduitslag die een verloop heeft van twee of drie dagen. Noord-Hollandsch roodhond. – Zeeland roodjonk, Oostfriesch rôdhund.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rodehond , roodhond , (roothònt) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Ook rooie hond. Zekere ziekte. Kwaadaardige uitslag in het gezicht. || Hij heb de rooie hond. Roodhond is niet zo gevaarlijk as roodvonk. – Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 2, 120) en in Oost-Friesl. (KOOLMAN 3, 47, rôdhund). Bij KIL. vindt men: “rood-ionck, rood-hond, rood-ioock, rood-vonck, papulae, papulae rubentes; boa, sudamina, fervidae eruptiones, rubidae cutis aspredines”. Vgl. ook Fri. reahoun.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rodehond , roodhond* , “roode hond” is een overal hier te lande bekende huidziekte, maar geen roodvonk, evenmin als ’t Hoogduitsch Rothlauf.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
rodehond , rooiehond , zelfstandig naamwoord , de; bekende ziekte: rodehond, rubeola
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rodehond , roeëjenhôndj , roeëjenhoond , zelfstandig naamwoord, mannelijk , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); rodehond
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
rodehond , rôojenhond , zelfstandig naamwoord , besmettelijke kinderziekte die op mazelen lijkt (rubeolae); WBD III.1.2:368 'rodehond' = rodehond; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'rooienhónd' - rodehond (de bekende ziekte); Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROO(D)ENHOND znv, m. - roode koorts, roodvonk; WNT ROODEHOND, oudtijds roodhond - 2) Thans in Z.-Nederl. als benaming voor een ongesteldheid of ziekte, die zich kenmerkt door huiduitslag of vurigheid van de huid ...
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal