elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roem

roem , roem , in ’t kaartspelen. Als men de 3 opeenvolgende kaarten kan toonen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
roem , rôm , (mannelijk) , roem.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
roem , roem , roum , Aldus noemt men bij ʼt jassen en pandoeren: driekaart = 20 punten; vierkaart = 50 p.; vijf-, zes-, zeven-, achtkaart = 100 p.; ʼt stuk (heer en vrouw van troef) = 20 p; de vier azen, heeren en vrouwen = 100 p; de vier boeren = 200p. de roem verbreken = door meer te roemen (melden van den roem) den roem van een ander te niet doen; ʼk heb 20 in roem = ik roem eene driekaart.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roem , roem , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Cichorei, koffiestroop (Wormerveer). || Haal effen ’en pakkie roem. Ik moet nog wat roem deur de koffie doen. – Roem is eigenlijk lof van cichorei uit de fabriek van Frans Roem te Alkmaar, in de eerste helft der 19de eeuw. De echte roem is tegenwoordig niet meer verkrijgbaar, doch de naam is overgedragen op andere soorten koffiestroop.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
roem , roem* , roemen , (en stuk) ook bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
roem , roem , zelfstandig naamwoord de , Cichorei, koffiestroop (verouderd). Volgens Boek. was roem eigenlijk lof van cichorei uit de fabriek van Frans Roem te Alkmaar (eerste helft 19e eeuw).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
roem , roem , mannelijk , stol (leemhoudend bergzand en grint, wordt gebruikt voor verharding van veldwegen, het maken van stampbeton etc.).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
roem , roem , de , roem, eer Daor giet veul roem van oet, van die beide zangers, ...van dat boek (Sle), Dat kan de roem niet wegdragen het is niet zo geweldig (Klv) *Eigen roem stinkt (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roem , roem , roem
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
roem , roem , zelfstandig naamwoord , de 1. glorie, eer die iets of iemand toekomt, wordt toegekend 2. roem bij het kaartspel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
roem , roem , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kaartterm
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal