elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rollebol

rollebol , rōllebōl , soort van draaibord voor hazardspel, die men nog wel op de kermissen aantreft, eenigszins verschillende van de sjandoedelkan. “Gisteren middag werden bij de badplaats buiten de Heerepoort twee zoogenaamde rollebols (draaiborden) in beslag genomen, welke zoo waren ingerigt, dat de centen der speelzieke jeugd in den zak der opligters moesten overgaan.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rollebol , rollebol , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , 1) Zeker hasardspel. Een spiraalvormig houten torentje met een kleine opening van boven en een poortje van onder, en geplaatst in een metalen bak. De spelers zetten centen op genummerde vakken naast dit toestel. Daarna laat men een bolletje met afgeslepen vlakken (meestal twaalf), die deze zelfde nummers dragen, door de rollebol naar beneden vallen. Het nummer dat door dit bolletje wordt aangewezen wint en de houder van de rollebol moet aan hen, die daarop centen gezet hebben, het tiendubbele bedrag uitbetalen. De overige opzet is voor hem. De rollebol staat op de kermis, voor zover hij daar thans niet verboden is, doch wordt ook wel gebruikt als kinderspeelgoed. – Synon. ronzebons. || Daar heb-je de man mit de rollebol ok. Ik moet nag eris in de rollebol speulen. – Evenzo elders in N.-Holl. en in Friesl.; vgl. DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven 1, 280. 2) Een langwerpig vierkante houten bak met een ruitvormig hokje met vier poortjes in het midden, waarbinnen een tolletje wordt gezet, dat winst of verlies uitwijst. Zulke bakken bestaan nog, maar het spel zelf schijnt in onbruik te zijn. 3) Een lat waarin naast elkaar tien uitsnijdingen gemaakt zijn. Met de gaten naar beneden op de grond gezet, schiet men er van uit de verte met knikkers heen. Boven de poortjes staan de cijfers 1 tot 10; hoe hoger cijfer, hoe kleiner gat. Wie zijn knikker door een poortje weet te schieten, ontvangt van de houder van de rollebol zoveel knikkers als het nummer aanwijst. Stuit de knikker echter tegen het hout of vliegt hij de rollebol voorbij, dan is deze verloren.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rollebol , rōllebōl , een draaibord voor hazardspel op dorpskermissen; ’t niet hetzelfde als sjandoedelkan*.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
rollebol , ròllebòlle , Ouderwetsche tombola.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
rollebol , rollebol , zelfstandig naamwoord de , Zeker hasardspel (verouderd). Vgl. Boek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rollebol , rollebolle , (N:Zuidwest-Drenthe) = draaiende dobbelstenen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal