elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rond

rond , rond , omstreeks, ongeveer.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
rond , rond , (bijvoeglijk naamwoord) , rond.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rond , rōnd , in: loop rond! bij v. Dale: loop heen! en: loop rondom!; in: as ik ’t rōnd kriegen ken = als ik met de zaak in ’t gereede kan komen, bv. door het leenen van geld, door medewerking van anderen.
rōnd stoan hebben alles in orde hebben, zóó, dat men tot de uitvoering van een werk kan overgaan, synoniem met: ’t volkomen, in allen deele veur ’n kander hebben. De boeren zeggen: ’t stait rōnd, als zij (bv.) bij den oogst alles, werklieden, paarden en wagens, bijeen hebben om te kunnen beginnen en alles geregeld kan voortgaan. Heeft hij een span paarden, een werkman of een wagen te min, dan heeft hij ’t niet rōnd stoan, dan is de boel nijt goud veur ’n kander; – ’t törven mout rond stoan zooveel als: wil men turven dan moet men het zóó inrichten dat, onderwijl de eene wagen naar huis rijdt een ander weer volgemaakt wordt; alsdan behoeft men geen tijd te verliezen. Elders, o.a. in Overijsel hoort men: als ik dat rondkrijg = als mij dat gelukt; ’t loopt rond = het fluit, het marcheert.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rond , in ʼt ronde* , ook = “rond …”, bvb. in ʼt ronde draien = ronddraaien.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
rond , roond , rond
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
rond , roond , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 rond, 2 bw. rondom. In t roone, in de rondte
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rond , rond , in de zegswijze je kenne rond of vierkant, 1. je kunt het krijgen zoals je het hebben wilt. 2. je kunt kiezen of delen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rond , rónj , vrouwelijk , rónje , stander voor zijplanken laadbak kar of wagen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
rond , rónjt , rónjer, rónjste , rond. Dat is mich te rónjt: dat gaat boven mijn pet; daar kan ik niet bij.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
rond , rònd , voorzetsel , rond
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
rond , rond , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. rond Dat rad is niet rond (Dwi), Zien va was ook wel wat rond, mar har gien bochel krom (Rui), (fig.) Het kun er net met rond het kon nog net (Sle) 2. gevuld Hie is rond in het gezicht heeft bolle wangen (Zwin), Het vei har zuk mooi rond vreten (Bco) 3. sluitend Zie hadden de koop gauw rond (Eex) 4. openhartig Hij kwam er rond veur uut (Ker) 5. bekend Het was zo rond dat wij verhoezen gaot (Oos) 6. afgerond Hij kreeg een rond bedrag (Emm) 7. ruim (ti) Een ronde week laoter kwam de brief 8. in in het rond(e) in het rond Het peerd luip aal mor in het ronde (Row), ook De geubel gung aal mor rond in het rond (Pdh), Hij hef zo lang in het ronde drukt dat e te laat kwam is zo lang treuzelend bezig geweest (Hijk), Hij keek zo wild in het rond (Eev), Wie wilt nog een maol in het rond dansen (Bov), Wied in het rond vien ie nargens zuk mooi laand (Ruw), Die juffer is een hittepetit, die kan wal op een dubbeltie in het ronde (Odo), Aj lange in het ronde loopt, woj duzelig (Rui), Hij gung met de ploug in ’t ronde rond (Vri). Opm. Rond vormt als bw. scheidbare werkwoorden en duidt handelingen aan met richtingen in het rond of naar verschillende kanten Het is het kleinste vogeltie, dat er lös rondvlög (Hijk), Wat er rondvertelt wordt, daor kuj je wel dood an argern (Eex), Hij keek de kamer ies rond, mar zag hum nich (Bov), Het kind huppelt wat rond in de hof (Emm), Die hef daor de heeile dag wat ronddoold (And), Zie gungen met de liest rond (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rond , rond , voorzetsel , rond, rondom Hij fietste rond het dörp (Die), Hij is rond de dartig ongeveer 30 jaar (Bov), Het was rond de karstdagen (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rond , roond , rond.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rond , rond , rond
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rond , rond , voorzetsel , (van een tijdstip, getal) ongeveer, rondom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rond , rond , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. rond 2. gerond: in de rug, schouders, enigszins gebocheld (als vergroeiing of als toevallige houding) 3. vol, gevuld, dik 4. geheel gereed, in orde 5. een totale kringvormige beweging makend of gemaakt hebbend 6. her en der bekend wordend 7. (van een tijdseenheid) totaal, ruim
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rond , rond , zelfstandig naamwoord , et, in in et rond in het rond, in een kringvormige beweging
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rond , roond , bijvoeglijk naamwoord , ronner, 't ronste , rond , (attr. m. ronne, vr. ron, o, roond, mv. roond, pred, roond) Zw: Zoe roond wie 'n tön (tönneke): gezegd van dik persoon.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
rond , roond , voorzetsel , rondom , roond; rond VB: roond de Paose. Zw: roond Luik: in de buurt van Luik.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
rond , róndj , rónjer, rónjst , rond , Ein rónj taofel. Róndj en gezóndj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
rond , rónjdj , bijvoeglijk naamwoord , rónj, rónje , rond
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
rond , róng , rônk, rôndj, roond , bijvoeglijk naamwoord , rónge/rónde, rónger/rónder, róngst/róndst , tweede vorm Nederweerts; derde vorm Nederweerts, Ospels; vierde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); rond
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
rond , rónd , rónder – ’t rónds , rond
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal