elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roos

roos , roos , Elke koortsaandoening, elk ziektegevoel bestempelt de boer met dien naam. Later meer hiervan.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
roos , roose , koude, rooze in de hoed = koude in het ligchaam.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
roos , rooze , (vrouwelijk) , roos (bloem); koorts, ontsteking.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
roos , loopende roos , voor: luizen, als men dien naam niet uitspreken wil. Zie: roos.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roos , roos , roze , zooveel als: eene koortsachtige aandoening, een koortsachtig gevoel, in Drentsch, Overijselsch, Geldersch elke aandoening van koorts, de zwaarste koorts zelve niet uitgezonderd; Veluwe: roos, roze = zware verkoudheid. – roos in de ingewanden = ontsteking der darmvliezen. – Is eene zweer zeer gezwollen en daardoor rood en prikkelend, dan noemt men dit ook roos, nl. als iets dat in de zweer huisvest. – Ook = afschilferende hoofdhuid, wat ook verklaart het verzachtende: loopende roos. Oostfriesch rose = de bekende heete, vurige, smartelijke aandoening der huid. Vergelijking: ’n kleur as ’n roos (of: roze) = eene bloeiende kleur, inzonderheid van meisjes. Spreekwoord: De ijne roos mout de ander verdrieven, zegt men, wanneer iemand zich bij koortsachtige ongesteldheden niet van het gebruik van rozîg eten (zie aldaar) wil onthouden, en synoniem met: die van een hond gebeten is, leg er van zijn haar op; eene soort van volkshomoeopathie.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roos , róze , (vrouwelijk) , Koude. Aj ʼn zweer in de vinger heb, moj zö̀(r)gen, daj dʼr de róze n(i)eet ankrîgt. Rózig – waar de roos aan is.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
roos , roos , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Een kleur als een roos, een kleur als een boei. || Hij kreeg ’en kleur as ’en roos (hij bloosde sterk). – Ook in de naam van een stuk weiland te Oostzaan. || De Roosjes. Zo genoemd naar een vormalig bezitter behorende tot het Oostzaner geslacht ROOS.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
roos , roos* , ook (evenals elders) voor het afschilferen der hoofdhuid, vandaar het euphemisme loopende roos*.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
roos , róze , (vrouwelijk) , Koude. Aj ʼn zw(i)eer in de vinger heb, moj zorgen, daj dʼr de róze n(i)eet ankrigt. Rózig – waar de roos aan is.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
roos  , roeës , ruëske , roos.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
roos , rooze , vrouwelijk , roos. De rooze in de hoed hebben: koortsig zijn van een verkoudheid.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
roos , rooze , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , roozn , ruesken , roos
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
roos , roôs , zelfstandig naamwoord de , Haar- of hoofdroos, in de zegswijze roôs mit poôtjes, schertsend voor hoofdluizen. | Hei je soms last van roôs mit poôtjes datje zô zitte te krabben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
roos , rôze , zelfstandig naamwoord meervoud , Rozen, in de zegswijze hai rekende voor rôze, maar ’t wiere peerdebloeme, hij meende winst te maken, maar kwam bedrogen uit.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
roos , roos , mannelijk , roos, huidschilfers op het hoofd.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
roos , roos , vrouwelijk , rooze, , reuske , roos. Me mót gein roozen ónger de vėrke sjtruie: geen paarlen voor de zwijnen werpen. ’n Roos is gau geseiert: goede wijn behoeft geen krans.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
roos , roeës , ronde plek die dient als middelpunt van een schietschijf.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
roos , roze , reusies , reusie , roos; reusies [in:] * reusies maeken: het gebruik om samen met de buren papieren roosjes te maken voor een ereboog t.g.v. een huwelijk.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
roos , roos , roze , de , rozen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook roze (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. roos Hij haar een roos in het knoopsgat (Row), Mensken die onbezwaord zitten, zitten op rozen (Nor), Een roos kan lekker roeken (Eev), Hij slap as een roze (Oos), Wilde rozen kuj bij vènegaeten vienden hondsroos (Wap), (fig.) Het zal daor vanaovend wel rozen sneien een woordenwisseling ontstaan (Hgv) 2. middelpunt van een schietschijf Dat was een schot in de roos (Eel) 3. roos op de nageboorte (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), z. ook droeve 4. kenmerk van rouw Vroeger hadden de kerels met de rouw een zwart roosie an de pette en de vrouwen haren een zwart hoodtie op het ooriezer, ok met zwarte roosies (Hijk), z. ook droeve
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roos , roos , roze , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook roze (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. koortsige ongesteldheid, verkoudheid An zien kleur kuj zeein dat e roos hef (Eex), Ik gao vrog hen bedde, ik heb roze in de hoed (Ruw), Ik bin niks te lekker, ik heb roos in de hoed (Oos), In de roos zei ie allemaole gekke dingen ijlend (Hol, veroud.), De roze is mij op de hoed vallen heb griep met koorts gekregen (Sle) 2. verdikking van tandvlees (Zuidoost-Drenthe) Hie hef roos in de mond, de gaogel döt hum zèer (Sle), As het peerd roos hef, wordt dat oetbraand met een gloeiende bolt (Eex), Aj roos in de mond hadden, dan mus ie speulen met aluun (Hijk), ...selvethee broeken (Ros) 3. (Zuidoost-Drents zandgebied), in Tegen kwaoie roos kwam der een kerel van Nei Schombuk en die bezette zu’n zwien Antoniusvuur, een varkensziekte (Pdh) 4. (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe), in de roos in de hoed hebben ongedurig worden As de zun an de locht komp, dan kriegt de boeren de roos in de hoed (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roos , roos , roze , de , Ook roze (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. hoofdroos Tegenwoordig hebt ze roos in het haor; vrogger zeden ze van schin (Sle), Je moet je haor ies good wassen, ie hebt er almaol roos in zitten (Bei) 2. pijnlijke hoofdhuid (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Annegie hef roos op het veurheufd; de smeersels van dokter hölpt der niet veur (Eex), Ik heb last van roos; het haor stiet mij steil op (Dwi), Ik heb de roos in het haor pijn, net onder de hoofdhuid (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roos , róós , 1) roos (bloem); 2) hoofdroos; 3) rode huidontsteking; 4) koorts.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
roos , roze , 1. roos; 2. koorts. De roze in d’oed ebben ‘grieperig zijn’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
roos , roze , roos (bloem).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
roos , roze , gevatte kou.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
roos , roze , roos , zelfstandig naamwoord , de 1. rozenstruik (van diverse soorten) of bloem daarvan 2. in Gelderse roze Gelderse roos 3. (vaak verkl.) rozet 4. midden van een schietschijf 5. (g. mv.) pijnlijk en/of koortsig gevoel in de huid, pijnlijke huidontsteking, pijnlijke verdikking door ontsteking (in de mond, op het hoofd, ook wel op de rug; vaak met koortsverschijnselen, vaak door kou), ook: koortsuitslag 6. elk der zichtbare aanhechtingsplaatsen van vruchtvlies aan de baarmoederwand (op druiven gelijkend); rosies, mv. 1. kleine rozen 2. benaming van bep. soort aardappelen, roosjes
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
roos , roos , roze , zelfstandig naamwoord , de; hoofdroos
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
roos , roes , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , roeze , ruuske , roos , VB: Ich vên de roes èin van de sjoenste blomme. Zw: 'r Hèt aon alle ruuskes geroëke en 'r zit zich op 'nnen distelesjtroék neer: hij heeft veel verkeringen achter de rug en hij heeft nog de verkeerde keus gemaakt. Zw: Op roeze zitte: op fluweel zitten; roos roes VB: 'r Hèt z'nne jas altiéd wit van de roes.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
roos , roeze , zelfstandig naamwoord , fluweel , (op fluweel zitten) op roeze zitte VB: Wie v'r 't hoés hebbe kênne verkoüpe, noé zit v'r op roeze.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
roos , roewes , roeweze , ruuweske , 1.roos (bloem); 2. rode huid (ontstoken); 3. hoofdroos
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
roos , roze , (zelfstandig naamwoord) , reusien , roos.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
roos , rwôôs , rwoske , roos , gij ee mwooje rwoskes in oewen hof = jij hebt mooie rozen in je tuin-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
roos , roôs , reuske , roos
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
roos , roos , roose , 1. zware verkoudheid; 2. ontsteking (in de mond).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
roos , roeas , (vrouwelijk) , roeaze , ruueske , 1. roos 2. roos, haarschilfers , Bie ein fieftigjaorige broelof seertj de buurt de waeg nao de kirk mèt pepere ruueskes. ’t Kindj sluueptj wie ein roeas. Kinderversje: Ringe, ringe roeaze / de bótter in de doeaze / de eier in de kaste / mörge zulle wae vaste / uuevermörge sjäöpke slachte / det zal rope ‘bèh’.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
roos , roeës , zelfstandig naamwoord , roeëze , ruëske , roos
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
roos , roeës , zelfstandig naamwoord, mannelijk , hoofdroos
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
roos , roeës , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , roeëze , ruuëske , roos (bloem)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
roos , rôos , zelfstandig naamwoord , ruske , roos, roosje; DANB die rôoze hèbbe lange doores; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - schôon is de roos, mar de doore die stikt (Si'67) - gezegd van iets dat men van tevoren als prettig beschouwde, maar dat achteraf tegenvalt; WBD III.4.3:152 'wilde roos' = idem, ook 'wild roosje'; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROOS (de o is scherplang) fr. rose; fig. bloemig meisje, meisje met fleurig, blozend gelaat; ruske - roosje; verkleinwoord van 'roos' (met umlaut)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
roos , roeës , roeëze , ruueske , roos
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal