elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ruiten

ruiten , roetens , zie: schuppens .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ruiten , ruute , ruutes , ruiten (kaartspel.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
ruiten , rutje , ruiten, kleur bij het kaartspel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
ruiten , rèùtje , ravotten, voor de grap met elkaar worstelen, gezegd van kinderen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
ruiten , roeten , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. geruit Hie hef een roeten klied an (Sle) 2. ruiten, in het kaartspel (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) Ik gooi roeten negen der bai (Eev), Roeten was troef, mar ik had allèn roeten vrouw (Zwin)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ruiten , roeten , ruten , de , roeten, roetens , Ook ruten (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = ruiten bij kaartspel Roeten is troef (Sle), Roetens is troef (Vtm), Ik spöl roeten (Pdh), Ik kan niet bedeeinen, ik heb gien roeten (Eex), ...roetens (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ruiten , roetns , ruiten (speelkaart).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ruiten , ruten , bijvoeglijk naamwoord , ruiten, van geruite stof
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ruiten , ruten , zelfstandig naamwoord , de 1. kaart met één of meer ruiten in het kaartspel 2. (mv.) alle kaarten met één of meer ruiten in het kaartspel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ruiten , roite , werkwoord , roit, roitende, geroit , [O] vellen uit vliet of sloot verwijderen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ruiten , roéte , rutekes , bijvoeglijk naamwoord , geruit , (een geruit hemd) roéte VB: roéte sjtof.; rutekes VB: e rutekes hömp.; (een geruit hemd) e rutekes hömp VB: Mêt zoe rutekes, dao bis te noé éch fris mêt.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
ruiten , roete , ruiten, geruit , Ei roete klèdje. Hae troefdje mich aaf mèt roetenaos. Roete is troef.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ruiten , roete , roête , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , eerste vorm Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts; ruiten (kaartspel)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
ruiten , rèùtes , bijvoeglijk naamwoord , Henk van Rijen - ruiten (bij kaartspel); Henk van Rijen - 'Röötes is troef'; WBD III.3.2:174 - rèùtes = ruiten (van een kaartspel); WNT RUITEN (I) gewestelijk (Vlaanderen) ook RUITENS - znw., mv., vr. benaming voor de roode ruitvormige figuren op sommige speelkaarten
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal