elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ruiter op paard

ruiter op paard , ruter-op-peerd , ruder-op-peerd , ruter-op-peerd (Oldampt) = ruder-op-peerd (Westerkwartier); een kinderspel waarbij geraden moet worden hoeveel knikkers, piepstoalen (stukjes van pijpestelen), enz. men in de geslotene hand heeft. ’t Gaat om beurten; één zegt, de geslotene hand naar hem uitstekende: ruter-op-peerd! (ruiter te paard!), zooveel als: maak u gereed om te raden, waarop de eerste de vraag doet: houveul d’r van? waarop de andere antwoordt: loat hōm loopen! (waarvoor in het Oldampt: hou mennig man?) Een schoolknaap te Ulrum schreef deze lezing er van: Ruderspeer of minderman, ’k Roar er an, Houveul er van? Kan dit beteekenen (vraagt Joh.s Onnekes): ruiter, speerknecht of minderman, geef acht! enz. In de Marne zei men daar nog vóór een dertigtal jaren: rutersporen minderman, enz. Op ’t Hoogeland heet dit spel: sentriepaul, zooveel als: cent er in Paul, dat is ik ben gereed en steek uit, waarop de andere zegt: ik roa d’r an, en de eerste weder: houveul d’r van? – Zie ook: mennîg.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ruiter op paard , ruder-op-peerd , ruderspeer, rutersporen: zie bldz. 559 II.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal