elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schabberig

schabberig , schōdderg* , Nederlandsch schabberig.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schabberig , skabbig , skabberig , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Sjofel, haveloos, slordig. Vgl. Fries skabberich, Engels shabby. Vgl. het N.E.W. onder schabbe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schabberig , schabberig , (Gunninks woordenlijst van 1908) schabberig, armoedig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schabberig , schabbereg , slordig gekleed. Wat zag dât keerltien der schabbereg uut!
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schabberig , sjebbig , bijvoeglijk naamwoord , haveloos , (mnl. 'schebbig': schurftig, kaal, armoedig.) VB: Fôj, wat zuút dè mer sjebbig, oongeranzjeerd oét.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schabberig , schabberig , 1. smoezelig, smerig, onverzorgd; 2. armoedig.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal