elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schapenmelker

schapenmelker , schoapmelker , de jongen bij den boer, omdat zijne voornaamste bezigheid bestaat in het melken der schapen en het oog op de schapen en lammeren te houden. Zijn titel is daarom: schoapvent, schoapjōng of schoapmelker; ook wordt zulk werk, inzonderheid bij kleine boeren, door meisjes verricht; onze schoapmelker (de schoapvent) is rijk, nō mout de lutje maid hen te schoapmelken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schapenmelker , schoapmelker , zie stoppelknecht *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal