elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schieten

schieten , schutten , De bruidegoms en de bruyts schutten, ’twelk voorkomt in het Echt Reglement des Prinsen van Orange, voor Braband, van den jare 1656, art. 10, is dat, wat elders ook wel beschieten genaamd wordt, gelijk blijkt uit het volgende.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
schieten , [betalen] , schieten , (werkwoord) , betalen, niet met waren, maar met klinkende munt was ’t oudtijds in gebruik. In deze beteekenis hier nog voor terug geven, lossen, bijv. eene rent.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schieten , schieten , ontkiemen, ook opbrengen in graan.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schieten , schijten , schaiten , schieten, in alle beteekenissen; ook voor: gooien, smijten, werpen bv. bij het notenspel en knikkerspel. – hij ken mie doar nijt schijten = hij kan mij daar niet zien; ’k heb hōm wel schoten (alleen de verleden tijd) = ik heb zijne bedoelingen wel doorgrond. Aan de zeevaart ontleend: de zon schieten. – Vervoeging doe schutst, hij schut = gij, hij schiet.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schieten , schieten , (sterk werkwoord, transitief en intransitief) , Zie de wdbb. Vermelding verdienen de betekenissen: – a) Een sloot schieten, graven. || Mits dat den voorsz. Ysbrant Arentsz. sijn stijfselwater sal laten loopen in dat niewe geschooten slootgen, Hs. T. 242, f° 83 r° (Jisp, a° 1618), prov. archief. – Vgl. schot. – b) Van melk. Hotten, niet gekookt kunnen worden (Assendelft). || De melk schiet. Geschoten melk. – Evenzo spreekt men in het Stad-Fri. van het gaarschieten van de melk, voor schiften (O. Volkst. 2, 178). – c) Als benaming van een wijze van knikkeren, waarbij twee jongens beurtelings naar elkaars knikkers mikken. Wie raakt, wint een knikker. Vandaar ook eesje-schiet, kloetje-schiet doen en schietbotten; zie die woorden. Vgl. verder uitschieten, verschieten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schieten , schut , voor “schiet”: ’t schut mie ienne bijnen = de schrik schiet mij in de beenen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schieten , schijten , schieten met een geweer, pijl en boog, enz.; de uitspraak van de ij in dit woord ligt in het Westerkwartier tusschen ai en ui; vervoeging: ik schijt, doe schutst, hai schut, hai schoot, hai het schoten; vergel. ook neutenschijten , alsmede rijmen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schieten  , scheete , scheet; schüts, schüt, schoot, geschaote , schieten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schieten , scheiten , schuät, eschuätten; ik scheite, dů schötst, hei schöt, wi, i, zei scheitet [sxęĭt̥] , schieten (met vuurwapen). Zaond scheiten: zand diep uitgraven uit een sloot, zodat men hoog moet opgooien; Ån ’n dag scheiten: terloops te berde brengen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schieten , skeetn , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: skùt, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: skeut , 1 schieten, 2 zich snel rechtlijnig bewegen. t Skùt miej in t lachn, ik schoot in de lach
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schieten , geschote , ’t Nie geschote hébbe. geen geluk hebben.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schieten , schiête , schieten.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schieten , skiete , werkwoord , in de zegswijze niet skiete is altoid mis, als je het niet probeert, niets onderneemt, bereik je zeker niets. Voltooid deelwoord skôten, in de zegswijze dat hei je goed skôten, dat heb je goed gezien of doorzien. Ook: dat is goed skôten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schieten , sjeite , werkwoord , sjoot, haet gesjaote/sjotde, haet gesjot , schieten; knikkeren.; sjotte tegen een bal trappen; balletje trappen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schieten , sjie:te , uitkomen van zaad.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schieten , schiete , werkwoord , schieten. De stal ötschiete wil zeggen de mest uit de stal naar buiten brengen. Zie ook: losschiete.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
schieten , schiete , schote, scheute , werkwoord , (KRS: Bunn; LPW: Mont, IJss), schote (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk; LPW: Bens, Lop, Cab), scheute (KRS: Hout) opsteken (van bv. hooi) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
schieten , schieten , scheut, eschötten , schieten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schieten , schieten , scheten, scheeiten, scheiten, schaaiten, schaiten , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook scheten (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), scheeiten (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), scheiten (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), schaaiten, schaiten (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. schieten Ik hebbe een lummel van een haze eschèuten (Hgv), Ik scheute de knikker net in het koelegie (Die), Hie scheut de achterste neut er of bij het notenschieten (Gas), Op de kermis kun ie priezen scheiten (Ros), Ik was zo kwaod, ik kun ze wel scheten (Pes), De slaachter mus het zwien eerst scheiten, veurdat hij hom stak (Eel), Hij mus schoven schaiten de garven doorgeven (Eco), z. ook smieten 2. snel gaan Het mes scheut mij uut de haanden (Dwi), Dat kind schöt hard in het èende groeit hard (Sle), Die kan gien broek in de liende zien hangen, of ze schöt er op of gezegd van een manziek meisje (Hgv) 3. zich plotseling voordoen De traonen schoten hum in de ogen (Bov), Het schöt mai in de rug (Row), Ik schèut ien de lach (Flu), Der scheut heur laoter dan nog wat in het zin (Eex) 4. een snelle beweging maken Ik schoot gauw even een jaas an (Eev), Hij scheut mit een rotgaank in de klompen (Hol), Hij schoot oet zien slof werd opeens heel kwaad (Bov) 5. lopen Het schöt alweer mooi naor het veurjaor toe (Bor), As het regen gaait, kin je daor gauw naor binnen scheiten (Erf) 6. grenzen De kop van de plaotse schut an de straote (Bov) 7. loslaten Die koou lat de melk scheeiten (Anl), Laot mor schieten, die viekoper komp wal weer en bödt vief gulden meer laat maar zitten (Sle), Laot det maogien toch schieten, det is toch niks veur oe (Ruw), Ik kun het peerd niet holden, ik heb hum scheiten laoten (Wtv), Aj de kaans kriegt, moej die niet schieten laoten niet laten ontglippen (Hoh) 8. opwerken van grond Wij mussen eerst even een paar dagen hen zand schieten en dan köw törf graven (Hav), Zaand scheten en leem scheten (Pes), Ie meut mij even wat heerdzaand scheten (Rui) 8. voorschieten (ti) Wij zulden geld schieten 10. indikken (Zuidoost-Drents veengebied) De brei was zoer, het scheut bie mekaar (Bov), De melk is dik worden en bie mekaar schoten (Bco) 11. doorhebben Ik har hum allang scheuten (Bui) 12. doorschieten De robieten begunt allemaol te schieten (Geb), z. ook deurschieten
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schieten , schieten , opschieten , sterk werkwoord, overgankelijk , (Geb). Ook opschieten (Scho) = gooien De törf op de wagen schieten op de kruiwagen laden van pasgestoken turf
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schieten , schiéten , ontkiemen. de elper schiéten al, de aardappels ontkiemen al. hij heggut geschoten, hij heeft het goed getroffen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schieten , skieten , skîêten , sköt, skeut, skeuten, eskeuten , (Kampen) schieten. Ook: skîêten (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schieten , schietn , ik schiete / scheute; iej schiet / scheutn; hie schöt / scheut; wie schiet / scheutn , schieten. Zie heb helemaole niks escheutn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schieten , schiete , glippen, schieten , Ge héd van die pèère die al ût'tew hand schiete és ge ze ôn't schèlle zé. Je hebt van die peren die al uit je handen glippen als je ze aan het schillen bent.
Ge liegt dé't wit van’new óóge zwart vur’rew gat schiet! Je liegt dat het wit van je ogen zwart voor je gat schiet. Je liegt of het gedrukt staat.
Voltooid deelwoord geschoote. Héij hi de hûid al verkocht, vur dét'tie d'n bèèr geschoote hi. Hij heeft de huid al verkocht, voordat hij de beer geschoten heeft. Hij is erg voorbarig.
Nie geschoote is aalté mis. Niet geschoten is zeker mis. Altijd proberen anders is het zeker mis.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schieten , schieten , werkwoord , 1. met een snelle beweging, flitsend gaan 2. zich plotseling voordoen (van stoffen, pijn, emoties, gewaarwordingen e.d.) 3. in schieten laoten laten schieten 4. plotseling in de genoemde toestand komen, zichtbaar in een andere toestand geraken 5. wortels vormen, in wottel schieten 6. flink groeien flinke aren vormen, vooral: een goede oogst geven 7. (van personen, dieren, planten) nogal snel in de lengte groeien 8. vorderen naar een bep. tijd, een bep. periode 9. grenzen aan 10. afschieten: van een pijl, een vuurwapen e.d. 11. op iets of iemand schieten met een vuurwapen, een pijl en boog enz. 12. verwerven door met een geweer e.d. te schieten 13. door werpen, raken: met projectielen, met een geweer enz.In de uitgedrukte toestand brengen 14. gooien, werpen (ook bij spelletjes) 15. (bij balspelen) hard trappen, flink gooien om te scoren 16. door hebben, in de gaten hebben, begrijpen 17. in geld schieten voorschieten, lenen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schieten , schiete , werkwoord , schiet, schoot, geschoote , [O] 1. in het zaad schieten van gewas dat nog op het veld staat Mit al die reege is ’t koore geschoote en de erte zelle ôk wel gaon schiete 2. het afsteken van slootkanten Zie ook ofrêêje
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schieten , sjete , werkwoord , sjoët, gesjoëte, sjetenterre/sjodde, gesjot , schieten , (afw. vormen o.t.t.) dich sjuts, hër sjut) Zw: Dat ês vuur op te sjete , zoe lillik.; sjotte trappen sjotte (vero.) VB: Mêt 'nne voetbaal sjotte.; sjete mêt de gewêrre gedonder (daar heb je het gedonder in de glazen) dao hebs te 't sjete mêt de gewêrre VB: Och God, o God, dao lèt dè dy deur gläozer valle, noé hebs te 't sjete mêt de gewêrre.; ién m'n gedéchte sjete te binnen (te binnen schieten) ién m'n gedéchte sjete (zie 'schieten')
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schieten , skieten , (werkwoord) , sköt, skoot, esköten , schieten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schieten , sjotte , voetballen, sjotte gebeurde meestal op straat of op een sjotveldje', ’hé, gaode nog ’n uurke meej sjotte = ga je nog een uurtje mee voetballen-'
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
schieten , schiejte , schieten, vuren , Te béd schiejte. Snel naar bed gaan.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schieten , sjete , ich sjeet, doe sjuts/sjuuts, hae sjutj/sjuutj, , 1. schieten 2. uitlopen van groente , Hae sjuutj ’m ónger de doeve. ’t Haet zich weer get aangetoe(n)jeldj, ’t zuut oet óm op te sjete. Neet gesjoeate is altied mis.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schieten , sjete , werkwoord , sjuutj, sjoeët, gesjoeëte , schieten; det höbs se good gesjoeëte – dat heb je goed in de gaten (Frans: jeter – lanceren)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schieten , schete , werkwoord , schutj, schoeët/schoot, geschoeëte/geschote , ontkiemen, schieten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
schieten , schiete , sterk werkwoord , schiete - schôot - geschoote , "schieten; zeer uiteenlopende betekenissen; Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - geschoote (de o luidt ietwat naar de ou; ook in komen enz.); 1. begrijpen; iets geschoten hebben; Van Delft - ""Da ha'k gaauw geschoten"" beteekent: Dat had ik gauw begrepen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929); 2. schieten met een wapen; MP gez. Nie geschooten is aaltij mis. 3. aanduiding, ook figuurlijk, voor een verandering van plaats; R.J. den boeremik schôot öt zen vèl; Cees Robben - As oew kènder em pooje, schiete z'in en gat; Cees Robben - Nao et wèèrm eete moet ie aaltij èfkes zen ôoge ooverschiete. [d.w.z.: een dutje doen]; Cees Robben - dèt rap vur oew gat schiet [d.w.z. dat je snel naar de wc moet, dat zal genezing van een kwaaltje bevorderen]; Cees Robben - dèt wit van oew ôoge vur oew gat schiet; Slakke dès en deliekatès/ daor moete van geniete/ mar nie meej twintig per menuut/ naor binne laote schiete. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Slakke); 4. inslaan van een weefspoel; WBD schiete (II:1038) schieten: inschieten v. d. weefspoel); ook: inschiete, inslaon, durslaon, slaon of gôoje; WBD schietlaoj (II:979) - schietlade, gedeelte van een weefgetouw, waar de spoel over schiet; 5. overlijden; het laten schieten; Henk van Rijen - 'ut laote schiete' - doodgaan; 6. vloeken en kiemen; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHIETEN term in het marmelspel; er eenen laten schieten - eenen vloek uitwerpen: kiemen: 'k zag dat 'et gaan geschoten was. WBD III.4.3 schieten = kiemen; ook: ötschiete, botte, opkoome, ötlôope; 7. graven; WBD II.1.2:72 'schieten' = graven; ook: 'spitten, uitdiepen'; schôot - verleden tijd schoot; R.J. den boeremik schôot öt zen vèl; verleden tijd van 'schiete'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
schieten , schaete , schaot – geschaote , schieten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal