elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schikken

schikken , [schatten] , schikken , (werkwoord) , achten, schatten, gissen. , Ik schik dat het tijd is.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schikken , schikken , (zwak werkwoord) , zenden; (i)eemand bod schikken, een boodschap zenden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schikken , schikken , voegen, passen, in: schikt joeʼt dat wie zöndag komen? = komt het u gelegen dat wij u aanstaanden zondag een bezoek brengen? (Ook Nederlandsch hoewel niet bij v. Dale.) Zeeland ʼt schikt nog â = ʼt is zeer goed. – Ook voor: leenen of geven, zejʼ mie ook wat geld schikken, of: beschikken kennen? ʼt Hoogduitsche schicken, toezenden. Zie ook: joe 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schikken , schikken , (zwak werkwoord) , vgl. beschikken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schikken , schik! , schik op! op zij!, vergelijk hōm * 3.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schikken , schikken* , vergel. schik * en zie ook: beschikken en joe * 1; de beteekenissen op bl. 365 en 560 zijn beide Nederlandsch.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schikken , schikken en mikken , passen en meten.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
schikken , skikng , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud verleden tijd: skuk, verleden deelwoord: eskukn , 1 ordenen, 2 vooruitkomen; skikng as nen loes op ne teartonne, niks vooruit komen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schikken , sjikke , werkwoord , sjikde, haet of is gesjik , zenden, sturen. Ėste van der duuvel sjpriks, is er dao of hae sjik ziene bao: als je van de duivel spreekt, trap je hem op zijn staart.; sjikke sjikde, haet of is gesjik: schikken, wennen. ’t Kénjt haet zich al gout gesjik: het kind i
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schikken , schikken , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. regelen, ordenen Zij was an het blommen ien de vaze schikken (Hgv), Ik mut de boel een beetie schikken terecht zetten (Bal) 2. aanschuiven Zuw even bij taofel schikken? Dan kuw gauw eten (Eex), (wederk.) Schik jou an ga mee aan tafel (Bco) 3. passen Kom mörgen mar, het schikt mij vandaog niet (Gas) 4. opzij gaan, opschuiven Schik is wat, dan kan ik der ok bie zitten (Bov), Schik! is tegen een peerd; schik is wat op, tegen ein, die naost je zit (Row), Wil ie een beetie schikken, dan kan ik der ok langes (Hoh), Hij schikt as een loes op een teerkwast, ...teertun is traag (Sle) 5. tot een schikking doen komen Het komp tussen die buren niet tot een proces, zij hebt de zake eschikt (Hgv), De pelitie zee: woj schikken of ofkopen? (Eev) 6. vlotten (Midden-Drenthe) Ik bin de hele dag late, het wark wil niks schikken (Hijk) 7. (wederk.) berusten, schikken Ik zal mij der wel in schikken mutten, mar mit iens bin’k ter niet (Ruw), IJ moet je schikken naor je mèerdere (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schikken , schikken , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = sturen Hef hij die ok een breif schikt? (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schikken , schikken , meevallen. dè schikt nogal, dat valt nog wel mee.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schikken , skikken , schikken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schikken , schikkn , 1. schikken, verlopen. Hoe giet ’t met de zieke? O, dat schik goed. 2. opschieten, vooruitkomen. Met zâchies fietsn schik iej nog twee maol zo hârd as met loopm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schikken , schikken , werkwoord , 1. ordenen, goed neerleggen, rangschikken 2. op een geschikte manier regelen, met geven en nemen tot overeenstemming komen 3. zich neerleggen (bij bep. maatregelen, bij wat een ander wil) 4. gelegen komen, passen 5. een bep. plaats innemen, opschuiven, bijv. Schik je es wat, gao es wat omme
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schikken , sjikke , werkwoord , sjikde, gesjik , sturen , (verzenden) VB: Ich sjik dich waol 'n käort es ich been aonkoëme.; wegsturen (wegsturen met een kleinigheid) mêt e gesjeld sjtekske hèivers sjikke VB: 't Keend haw 'n oor kemissies vuur hön gedoën en 't woerd ochérm mêt e gesjeld sjtekske hèivers gesjik.; zich sjikke beterhand (aan de beterhand zijn) zich sjikke VB: De kraanke sjik zich nogal
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schikken , skikken , (werkwoord) , skikken, eskikt , schikken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schikken , [sturen ] , sjikke , sjiktj, sjikdje, gesjiktj , 1. zenden, sturen 2. zich sjikke = zich schikken , Pas mer op, anges sjikke ze dich weg! Wiene sjikke ze det pekske noe?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schikken , sjikke , werkwoord , sjiktj, sjikdje, gesjikdj , 1. schikken 2. (ver)sturen, (ver)zenden
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schikken , sjikke , sjikke, zich , werkwoord , sjiktj, sjikdje, gesjikdj , 1. zich schikken in iets 2. opschuiven; sjik dich ins get – schuif eens wat op
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal