elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schobberdebonk

schobberdebonk , schaberdebonk , schobberdebonk , elders ook schaverdebonk. Deze uitdrukking wordt gebezigd voor personen die wij thans eenvoudig een schoft zouden noemen, die namelijk op indringende,
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schobberdebonk , schobberdebonk , Alleen in de spreekwijze op schabberdebonk (of op schaverdebonk) loopen, dat is ongenood en onbeschroomd het een en ander trachten op te doen, voor on
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schobberdebonk , schoaverdebōnk , schōbberdebōnk , in: op schoaverdebōnk loopen = ongenoodigd komen, op schuifjes loopen, klaploopen; echter meestal schertsend. Oostfriesch up schubbe, of: schubber-de-bunk ûtgân, letterlijk zooveel als: om de botten af te kluiven, van de schubben (het omkleedsel) te ontdoen. (v. Dale: op schobberdebonk, en: schobberdebonk, schaverdebonk loopen, zonder meer.) Vgl. schoefie.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schobberdebonk , schabbertjendebonk , schabbetjendebonk , Op schabbe(r)tjendebonk lópen – klaploopen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
schobberdebonk , schoaverdebonk* , Nederlandsch schobberdebonk, schaverdebonk.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schobberdebonk , schabbertjendebonk , schabbetjendebonk, schabbertjenbonk, schabbetjebon , Op schabbe(r)tjen(de)bonk lópen – klaploopen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
schobberdebonk , schrabbeldebônk , Op schrabbeldebônk loupe, schuimloopen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schobberdebonk , skobberdebonk , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze skobberdebonk weze, er slecht aan toe zijn, aan lager wal geraakt zijn. – Voor skobberdebonk loupe, er armoedig, haveloos gekleed bij lopen. – Op de skobberdebonk loupe, klaplopen, op andermans zak teren. Zie het N.E.W. onder schobberdebonk, waar men het meest aannemelijk acht, dat het woord bestaat uit schobberd = schooier en bonk = ruwe bonk of kerel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schobberdebonk , schobberdebònk , zelfstandig naamwooord , Op schobberdebònk gaon is klaplopen, op andermans zak teren.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
schobberdebonk , schobberdebonk , schommeldebom, schabberdebon , Ook schommeldebom (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën), schabberdebon (jo), in op de schobberdebonk etc. lopen klaplopen Sommigen loopt op de schobberdebonk en vangt ok nog wal is wat (Scho), Hij kocht peerde op de schobberdebonk; as der winst kwam, gung het deur, gien winst, dan niet, en mugden ie hopen daj het peerd weerkregen (Zdw), Ik heb de hiel dag op de schommeldebom west (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schobberdebonk , Schabber de Bonk , er opuit gaan om iets van zijn gading te treffen, zonder er echt naar te zoeken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schobberdebonk , skabegienbonk , in: veur skabegienbonk speulen ‘de minste zijn’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schobberdebonk , schobbedebonk , klaplopen. Hie gunk op de schobbedebonk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schobberdebonk , schobberdebonk , schabberdebonk , in op schobberdebonk klaplopend, bedelend, op zwart zaad zittend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schobberdebonk , schobberdebonk , uitdrukking , [Barg] 1. Hij lôôp op de schobberdebonk Hij probeert iets van een ander te krijgen 2. Hij lôôp voor schobberdebonk Hij loopt er erg slordig bij
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schobberdebonk , schôbberdebônk , rondhangen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schobberdebonk , schôbberdebônk , klaploperij
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
schobberdebonk , schabberdeboonk , schóbberdebonk, schobbertebonk, schabberdebonk , zelfstandig naamwoord, mannelijk , op de/oppe - gaon, klaplopen, op -, op de bonnefooi
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
schobberdebonk , schobberdebonk , schabberdebonk , zelfstandig naamwoord , "uitdr. op de schobberdebonk; Frans Verbunt - = klaploperij; Buuk op schobberdebonk - klaplopend; WNT SCHOBBERDEBONK - schaverdebonk - zelfstandig naamwoord vr. Van een buiten deze afleiding niet aangetroffen de bonk schobberen (in een gebruik in den zin van haastig naar zich toehalen of haastig oppeuzelen), de bonk schaven. (zie aldaar: XIV:738); OT 74:97, 152 Heestermans: Schobberdebonk: niet streekgebonden; op schabberdebonk, op schobberdebonk - uitdrukking; op andermans kosten; Den dieje gao aaltij op schabberdebonk meej. R op de schòbberdebonk/schabberdebonk lôope - klaplopen; Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'op schoeber-de-bonk'; N. Daamen - Handschrift 1916 – ""op schabberdebonk loopen (klaploopen)"" Henk van Rijen - ek rôok op de schabberdebonk; Cees Robben – Ze hee aaltij geere gelimmeneerd en op schabberdebonk gelôôpe... (19570223); Cees Robben – ’t Schabberdebonk-menu’ [Titel van de prent van 19570921 over zwervers die gratis maaltijden verstrekt krijgen in Tilburgse kloosters.]; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHABBERDEBOK zelfstandig naamwoord m. 'Op schabberdebok loopen' - op schaaf loopen, op den schoefel loopen; tafelschuimen, rondloopen om eten te krijgen; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zelfstandig naamwoord  'schabberdiebonk' resp. 'schobberdiebon, d.i. schobberdebonk, in de zegsw. 'op schobberdiebonk leupe'-klaplopen; WNT: schabberdebonk zie schobberdebonk (schaverdebonk) Van een buiten deze afl. niet aangetroffen 'de bonk schobberen' (in een gebruik in de zin van 'haastig naar zich toehalen' of 'haastig oppeuzelen'. In de verbinden: op (de) schobberdebonk loopen = klaploopen. C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHABBERDEBON in de zegswijze 'op de schabberdebon' - op de bonnefooi, klaplopend. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'schobberdebònk', op schobberdebònk gaon = klaplopen; Hees op de schobberdebonk (III:39); Bosch schabberdebonk - op schabberdebonk - op andermans zak"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal