elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schuimpje

schuimpje , schoemkes , (schuimpjes); zeker gebak van geklopt eiwit en suiker.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schuimpje , schoemkes* , (bldz. 561), bij v. Dale schuimpjes: met amandelen heeten ze “turons.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schuimpje , schoempien , schuumpien , het , schoempies , Ook schuumpien (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = schuimsnoepje Zij gaf de kiender elk een schuumpien (Hgv), As mien moe schoempies wol bakken, dan much het geel van het ei der niet bij in (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schuimpje , schoempien , schuumpien , zelfstandig naamwoord , et; bep. soort snoep: schuimpje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schuimpje , sjûimke , zelfstandig naamwoord onzijdig , sjûimkes , - , schuimpje , (bep. soort snoepje) sjûimke Zw: (kindervermaak): Sjûimke trêkke: uit een fles 'krissiewäoter', na ze eerst geschud te hebben, het ontstane schuim zuigen.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schuimpje , skuumpien , (zelfstandig naamwoord) , schuimpje, zacht soort snoepje voor kleine kinderen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schuimpje , schûmke , schuimpje, zacht snoepje , luste gij ’n lekker schûmke = lust jij een lekker snoepje-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
schuimpje , schùmke , schuimpje, schuimsnoepje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schuimpje , schuumke , schuumkes , (verkleinwoord) wintertaling
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
schuimpje , schömke , zelfstandig naamwoord , schömkes , verkleinwoord; licht gekleurd snoepje van schuim licht suikerkoekje, gebakje van schuim; schömke trèkke - bep. hoestdrankje trekken van laurierdrop; zie schömketrèkke - een speciale rubriek op CuBra
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
schuimpje , schuumke , schuumkes , schuimpje
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal