elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schutten

schutten , schutten , Eenen bol in zijnen loop stuiten wordt hier alzoo genoemd. Het is een oud woord.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schutten , schutteln , vee opsluiten, tijdelijk bewaren in een schuttelhok; zie ald.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
schutten , schutten , een bij den weg of in eens anderen land loopend beest in eene daartoe door de gemeente aangewezen bewaarplaats, schutstal, brengen; Oostfriesch schütten. Het geld, de boete, die hiervoor betaald moet worden, heet schutgeld. Zie Ommel. Landr. VI, 47. – Dr. Landr. (1712) IV, 10: zal voor Schut-geld betaalt worden enz. Id. (1608), IV, 19: schutgelt; Oostfriesch schütgeld. Vgl. schutten, bij v. Dale.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schutten , schutten , (zwak werkwoord) , Zie de wdbb. – Dat schut ik, ik spreek het tegen, kom er tegen op. Ook bij 17de- en 18de-eeuwse schrijvers zeer gewoon; vgl. OUDEMANS 6, 244. – Vgl. inschutten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schutten , schutten* , vgl. v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schutten , schutten , vreemd vee in beslag nemen, dat op ‘andermans’ land en onbeheerd werd aangetroffen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schutten , sjötse , werkwoord , sjötsde, haet of is gesjöts , beschutten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schutten , schutten , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. door een sluis (laten) gaan Wij mussen opschieten, aans kow niet meer schutten door de sluis komen (Ruw), Nao zes uur ’s aovends weur der gien schip meer schut (Nam), Wie lagen veur het sluus te wachten om te schutten (Erf), Schippers hebt een hekel an schutten; het kostte tied en braacht niks op (Eev) 2. opsluiten van loslopend vee Vai, dat losluip, wur schut (Zui), As de biest oet het laand breuken bint, dan wordt ze schut (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schutten , skutten , 1. schutten; 2. in bescherming nemen (het vee, dat buiten het eigen land geraakt is, wordt "opgebracht" door bijv. de politie)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schutten , schutten , werkwoord , 1. schutten: van schepen 2. een afrastering herstellen, een afrastering aanbrengen daar waar het vee loopt of gaat lopen 3. bijeenhouden of -brengen van vee binnen een omheining 4. een waterkering aanbrengen 5. in eerde schutten de zode afsteken en de grond gebruiken in de mesthoop, nl. door lagen grond en mest boven elkaar aan te brengen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schutten , schoten , werkwoord , opsteken van hooi, graan e.d., hetz. als opschoten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schutten , schutte , werkwoord , beschermen, beschutten, verdedigen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal