elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schuurdeur

schuurdeur , schuurdeur , schuurdeure , zie: banzerdeur.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schuurdeur , schuurdeùren , (Westerkwartier schuudeùren) in de zegswijze: hij het zien schuurdeuren lös (ook wel: hij het op wichterverzijte west) = zijn broek is van voren niet toegeknoopt.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schuurdeur , schúurdeur , v , mond schúurdeur dicht! mond dicht! Gezegde tegen iemand die gaapt.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schuurdeur , schuurdeur , de , 1. deur van de schuur Hij hef de baander, ...schuurdeure los staon (Nsch) 2. grote mond Hol die grote schuurdeure dichte! (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schuurdeur , schuurdeur , uitdrukking , Ze hedden bek azzen schuurdeur Ze heeft een grote mond
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schuurdeur , skuurdeure , (zelfstandig naamwoord) , schuurdeur.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schuurdeur , [schuurdeur] , sjeurduuer , (vrouwelijk) , schuurdeur
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schuurdeur , sjeurdäôr , sjeurdäör , zelfstandig naamwoord , sjeurdäöre , sjeurdäörke , schuurdeur; mèt de sjeurdäör winke – iets overduidelijk laten blijken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schuurdeur , schuurdeur , zelfstandig naamwoord , de uu is lang; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - der schuurdeur stao wir oope, wè kròkt ze tòch (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) – gezegd van iemand met een grote mond; Henk van Rijen - grote mond; gulp; Henk van Rijen - 'Hè de-r gin èèreg in dè oew schuurdeur oope stao?' - Heb je niet in de gaten dat je gulp openstaat?; WBD III.1.1:97 'schuurdeur = mond; WBD III.1.1:100 'schuurdeur' = mond (spotnaam)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal