elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schuwen

schuwen , schouen , schauen , (Oldampt, Westerwolde) = schouen (Ommelanden) = schuwen. Spreekwoord: De schuldêge schout = die geen zuiver geweten heeft is schuw, houdt zich terug. Westfaalsch de schülliger schügget. Hooft. schuwen = ontwijken, mijden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schuwen , schuust , (Hoogeland), voor: schuwt; algemeener is echter ook daar: schout; zie: schouen. Vgl. het Oostfriesch sjû, skjû, tusschenwerpsel om vogels te verjagen; Middel-Hoogduitsch, Middelduitsch schû, Oud-Hoogduitsch scû, interjectie om bang, schuw te maken en zoo te verdrijven. Vgl. ook: kuus.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schuwen , schouwen , (zwak werkwoord, transitief) , Schuwen, vermijden. Thans weinig gebruikelijk Vergelijk schouw I. || Om ghelijcke Inconvenienten, inbreucken ende anders te schouwen, (soude) die voorsz. Dijck ofte Zeeburgh op verscheyden plaetsen ... moeten verswaert worden, Priv. v. Westz. 168 (a° 1602).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schuwen , schouen* , bij v. Dale schouw = schuw.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schuwen , schaauwen , schuwen, vrezen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
schuwen , sjuue , werkwoord , sjuude, haet gesjuut , schuwen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schuwen , schuwen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = schuwen, uit de weg gaan Hij schuwt het wark; hij is al meui, veurdat hij begint (Klv), Smerig wark schuwt hij niet (Ruw), Zij schuwt mij, ik kun de schorft wel hebben (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schuwen , sjoûwe , werkwoord , sjoûwde, gesjoûwd , tegenzin , (met tegenzin iets doén) zich sjoûwe vuur VB: Ich sjoûw mich vuur dè knién te goën sjtruepe.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schuwen , sjoewe , sjoewtj, sjoewdje, gesjoewdj , schuwen, verafschuwen , Hae sjoewtj ’t werk inne gaard en lieëtj ’t kroed mer gruje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal