elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sjouw

sjouw , sjouw , zie: schiffen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
sjouw , sjou , sjau , voor: lange voetreis; ʼt is ʼn hijle sjou = eene vermoeiende reis als men die te voet moet afleggen. Zie: sjouerman, alsook: sjor.
op sjou, of: an sjou wezen = op weg op pad zijn; hij ging om vijr uur al op sjou om schoapen te koopen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
sjouw , sjou , ook voor sjōr*: op sjou, an sjou = op weg, op pad.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
sjouw , sjau , mannelijk , sjouw. Dä-s nen sjau: dat is moeilijk werk
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
sjouw , sjouw , m , op pad D’n héllen dag op sjouw zien De hele dag op op pad zijn.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
sjouw , sjouw , (ouderwets), vlag met een knoop er in ten teken dat een schip hulp nodig had
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
sjouw , sjouw , zelfstandig naamwoord de/’t , Afleiding van sjouwen. 1. Sjouwwerk, zwaar werk. 2. Karwei, klus. 3. Het op straat sjouwen of zwalken. Vgl. Fries sjou. Zegswijze d’r puur zô’n sjouw an hewwe, er zwaar werk mee hebben. – ’t Sjouw is plat, het karwei is af. – Z’n sjouw of hewwe, ontslagen zijn, zijn congé krijgen als vrijer. – Op (an de) sjouw weze, de hort op zijn, op straat zwalken, er op uit zijn. | Ze is nooit thuis, ze is altoid an de sjouw. Verkleinvorm sjouwtje. Karweitje, klusje. Vgl. Fries sjoutsje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sjouw , sjouw , de , gesjouw, moeizame loop Het was een heile sjouw tegen de wind in (Ros), ...naor de bus toe (Eke), ...met die zwaore karbiezen op de nekke (Eri), Die is de hiele dag op sjouw, nooit in huus bij de weg (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sjouw , sjouw , 1. vracht; 2. grote afstand naar een bepaald doel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
sjouw , sjouw , zelfstandig naamwoord , de 1. het lopen, vooral: de activiteit van het vele of moeizame lopen of van het dragend, zeulend lopen 2. grote groep mensen 3. hoeveelheid, in een hiele sjouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sjouw , sjouw , zelfstandig naamwoord , sjouwe , sjouwtjie , mand die met een touw in een mast werd gehesen als teken voor de veerman dat iemand wilde worden overgezet. Het betreft het veer Nieuwendijk – Tiengemeten Zet de sjouw alvast mar op Hijs de mand vast maar op
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal