elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sleutel

sleutel , slutle , sleutel. Van slut-en is slut-el, werktuig om te sluiten, van sleu-ten is sleu-tel.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
sleutel , slö̀ttel , (mannelijk) , slö̀ttele , sleutel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
sleutel , snetel , (zelfstandig naamwoord) , Sleutel. De vorm is thans onbekend, doch vgl. Ofri. sletel (VAN HELTEN, Aofri. Gramm. § 36). || 1667, den 12 Desember, betaelt aen Davit van een nieuwe sneetel ende van verstellen van het slot, 8-0, Dijkb. Wormer.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sleutel , sleutel , kraan van een koffiekan enz.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
sleutel , sliöttele , vrouwelijk , sliöttele , sliötteltien , sleutel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
sleutel , slùtl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , slùtls , slùtlken , sleutel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
sleutel , sjleutel , mannelijk , sjleutele , sjleutelke , sleutel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
sleutel , sluttel , voorwerp dat dient om deuren die op slot zijn te openen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
sleutel , slöttel , slötteltie , sleutel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
sleutel , sleutel , slèutel, slöttel, sleudel , de , Ook slèutel (Zuidwest-Drents veengebied), slöttel (Pdh, Scho), sleudel (Veenkoloniën) = 1. sleutel Disse sleutel past niet, ik heb zeker de verkeerde pakt (Bro), De sleutel zat nog in de deur (Eel) 2. ring aan de schoftzeel (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Het leide giet deur de sleutels naor het heufdstel an het bit (Ruw) 3. spel met een sleutel aan een touw met oud en nieuw. Onder het zingen van een lied werd het touw onder het tafelblad doorgegeven. Degene, die de sleutel had op het moment dat het liedje uit was, moest alleen dat liedje zingen. Spel voor oudere kinderen, 12 à 13 jaar (Dwi) *Gien slöt zo raor of er past een sleutel bij op ieder potje past een deksel (Wtv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sleutel , sleùtel , sluttel , sleutel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
sleutel , sleutel , sleutel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
sleutel , sleutel , zelfstandig naamwoord , de 1. sleutel: waarmee men een slot sluit of opent 2. muzieksleutel 3. gereedschap waarmee een stift wordt omgedraaid of met een stift als draaiend deel 4. elk der ogen (met een schroefdraad aan de onderkant) op het tuig van een paard, waar de leidsels doorheen lopen, hetz. als tuugsleutel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sleutel , sjluütel , zelfstandig naamwoord mannelijk , sjluütele , sleutel , VB: De sjluütel van de vëurdëur, de sjluütel van de noetebaalk.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
sleutel , sleuter , sleutel.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
sleutel , slöttel , slötel, slötel-, slöttel- , (zelfstandig naamwoord) , sleutel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
sleutel , sluttel , sleutel
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
sleutel , sluuetel , (mannelijk) , sluuetels , sluuetelke , sleutel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
sleutel , släötel , zelfstandig naamwoord , släötels , släötelke , sleutel
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
sleutel , sleutel , sluuëtel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , sleutels/sluuëtels , sleutelke/sluuëtelke , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); sleutel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
Sleutel , Sleutel, de , aanvankelijk een azijnbrouwerij, gesticht vóór 1434; vanaf 1553 de beroemde Dordtse stoombierbrouwerij. Dordt is eeuwenlang een belangrijke bierstad geweest. In 1607 draaiden er 28 brouwerijen, waaronder de Bel, de Ruit en de Hoefijzer. De Sleutel was de oudste en verdween pas in 1968. Het bedrijf strekte zich uit vanaf de Groenmarkt tot aan de Varkenmarkt en liep evenwijdig aan de Vleeschhouwersstraat. Nu bevinden zich in ’t gebouw het museum de Sleutel, een proeflokaal en een geluidsmuseum. Zie ook: Mom
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal