elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sloerig

sloerig , [lusteloos] , sloerig , lusteloos, die overal omhangt zonder lust om iets te doen. Eig. sleperig. Van sloven of sleuven, slepen. Zoo als van togen, slepen, “Morbidus, toegsch, syecklick.” Teutonista 1477.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
sloerig , sloerig , Lusteloos, traag; het woord komt in het gebruik genoegzaam overeen met hangerig, zoo als wij vroeger reeds hebben opgemerkt, en waarheen wij thands verwijzen. Sloerig is eigenlijk sleperig, van het werkwoord sloeren, Engelsch to slur, slepen en ook bemorsen, waarvan sloer of sleur, sloerie, slons, slamier, slet, slordig, morsig, haveloos, traag vrouwmensch, verwant aan het Hoogduitsche schluderig, slordig, nalatig, en aan ons slodderen, waarvan slodderig.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
sloerig , sloerîg , lusteloos, van mensch en vee. Van ’t weder gezegd = morsig. Gron. sloerîg = lusteloos, moedeloos, neergedrukt, wanneer dit op ’t gelaat te lezen is; ook van planten die de bladeren slap laten hangen, en van dieren bv. honden die treurende zijn. Oostfr. slurig = slap nederhangend.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
sloerig , [mat, laks] , slûrig , (bijvoeglijk naamwoord) , mat; he zö̀t zoo slûrig ût de oogen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
sloerig , sloerîg , lusteloos, van menschen en dieren; ook Drentsch, alsmede van planten die de bladeren slap laten hangen; Oostfriesch slûrig = slap, mat, traag; ternedergeslagen; treurig; het hoofd (ook: de ooren) laten hangen; Nederduitsch slurig, Noordfriesch slûragh, Lüneburg slurig = slaperig, droomerig, Hoogduitsch schlurig, schlürig. Zie: sloeg.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
sloerig , sloerig* , Hoogduitsch schlürig, schlurig.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
sloerig , slůůrig , lusteloos
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
sloerig , sloereg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , ziekachtig, landerig; sloereg in de hoed wean, zich niet lekker voelen; sloereg in n rakrt, niet fit
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
sloerig , sloereg , lusteloos, moedeloos
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
sloerig , sloerig , bijvoeglijk naamwoord , Slordig, sleets.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sloerig , sloerig , niet lekker, iets ziek, hangerig, b.v. sloerig in de botten = lusteloos.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
sloerig , sloerig , niet fit.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
sloerig , sloerig , sloerderig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook sloerderig (Zuidwest-Drenthe, noord, Veenkoloniën) = 1. lusteloos, niet lekker Ik bin aal wat sloerig, niks goud (Vtm), ...sloederig, pien in het heufd en zo (Coe), ...ik heb nargens zin in (Dro), Ik bin wat sloerig, ik vule mij wat plenterig in de balg (Dwi), ...ik zal wal griep kriegen (Oos), Die kou is de leste tied wat sloerig (Gie) 2. vergeetachtig (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Hij wordt wat sloerig, hij wet alles niet meer (Ktv), Die aolde wordt wat sloerig de leste tied (Een) 3. slordig (Kop van Drenthe) Ze lopen er mor sloerig bai (Pei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sloerig , sloerig , 1. niet lekker, vervelend; 2. duf. Nao et eten wödden ik sloerig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
sloerig , sloereg , een beetje ziek. ’k Bin al ’n paer daegn ’n bettien sloereg.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
sloerig , sloerderig , sloerig , bijvoeglijk naamwoord , rommelig in z’n doen en laten, slordig (vooral: waarbij men dingen vergeet)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sloerig , sloerig , sloerderig , (bijvoeglijk naamwoord) , vervelend, onaangenaam. Ik bin wat sloerig in de botten; sloerig in de rakkerd. Zie ook: gasterig, lammenadig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
sloerig , sloerig , sloerderig , 1. ziek; 2. slap; 3. naar, vervelend; zich sloer(der)ig voelen, sloerig in de huud wezen, zich niet lekker voelen; sloerigheid, ziekte.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal