elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sluik

sluik , sloeken , zie: sloegschooven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
sluik , sloepen , zie: sloegschooven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
sluik , sluik , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , Zie de wdbb. – Sluik uitlopen, op niets uitlopen (Krommenie). Synon. sluuf.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sluik , sluik , sluk , (zelfstandig naamwoord) , Meestal in het meerv. sluiken. Dunne schoofjes stro, veel voor bedstro gebruikt (de Wormer). Ook sluikstro genoemd. Elders aan de Zaan spreekt men van slukken, en zijn dit inzonderheid de schoofjes van rogge- of tarwehalmen, die na het maaien worden saamgelezen en dus gedeeltelijk vertrapt zijn; ze zijn daarom gewoonlijk van minder gehalte dan de eigenlijke schoven. – Ook in een oude lijst van N.-Holl. woorden (Hs. v. d. Mij. d. Ned. Lett., no. 124) wordt vermeld: “slukken is als stroo in ’t lang gebonden is aan dunne schoofjes”. Evenzo zijn in Gron. sloeken of sloegschoven, sloekschoven, schoven of bossen van het langste haverstro (MOLEMA 383). – Vgl. sluik I.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sluik , sloeg* , ook = slap, sluik; vergel. slok * 1.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
sluik , slok* , 1, vergel. sloeg *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
sluik , sluk , sluik , zelfstandig naamwoord ’t , Sluik, uitgezocht lang stro, met de hand gedorst stro. De eigenlijke betekenis van sluik is slap. Vgl. Nederlands sluik haar. Zie het N.E.W. onder sluik. Vgl. Fries slûk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sluik , sluuk , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Variant van sluik, in de verouderde zegswijze sluke here, sluke zinne, ruig van buiten, ruig van binnen, lieden met sluik haar zijn onbetrouwbaar, lichtzinnig, slecht.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sluik , sloek , sloekerig, sluuk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook sloekerig (Zuidwest-Drenthe, noord), sluuk (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = sluik Zij hef zuk sloek haor, der wil gien krul in zitten (Ros), Nou der gien permanent in het haor zit, is het wel arg sluuk (Coe), Hij hef het haor aordig sloekerig um de kop hangen (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sluik , sloek , sloeg , bijvoeglijk naamwoord , sluik (van het haar)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sluik , sluuk , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , sluik. Dät öör van oe angt wel ärg sluuk.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
sluik , sluu~k , sluik
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal