elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sluipstaarten

sluipstaarten , sluupsteerten , druipstaarten; hij gōng sluupsteertend weg = hij droop stilletjes af.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
sluipstaarten , sluupsteerten , druipstaarten.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
sluipstaarten , sloepsteerten , met hangende staart afdruipen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
sluipstaarten , sluupstâttn , angstig wegsluipen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
sluipstaarten , sloepstatten , werkwoord , druipstaarten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sluipstaarten , sliepstärten , sloepstärten , heimelijk of beschaamd zich terugtrekken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal